Vrijen en trouwen

 

* Partnerkeuze, Groepscontrole, Toezicht thuis, Verkering, Toestemming en aanzoek, Huwelijkscontract, Verloving, Trouwdwang, Ondertrouw, Bachelorparty, Burgerlijk huwelijk, Bruiloftsgasten, Trouwkleding, Bruiloft, Huwelijksfeest, Van LAT-relatie tot Marry me again, Echtelieden, Homohuwelijk, Minderheden.

 

Het verliefde stelletje dat elkaar in het bijzijn van anderen kust en met troetelnaampjes aanspreekt, is niet van alle tijden. Hetzelfde geldt voor het getrouwde koppel dat een hele dag met de kinderen optrekt en 's avonds onder het genot van een glas wijn nog urenlang van gedachten wisselt over het gezin en over elkaar.

Maar wanneer zijn dan dat verliefde stelletje en dat gezellige echtpaar ten tonele verschenen? Niet in de Middeleeuwen. De historicus Johan Huizinga karakteriseerde de omgang van man en vrouw in die tijd als 'bijster ruw' en sprak van een 'filisterachtige vrouwenverguizing', ondanks de schone schijn van de hoofse liefde die in de bellettrie de boventoon voerde. Er was in de Middeleeuwen eenvoudig geen plaats voor 'individueel sentiment' dat 'in stilte en duister' hulde wat 'van tweeën' was.

 

vrijersboom1


17de eeuwse voorstelling van de Boom der vruchten, waarin rijpe vrijers en vrijsters hangen. G. Valck ex. (Atlas van Stolk)


De Canadese historicus Edward Shorter situeert het debuut van beide fenomenen in de achttiende eeuw. Om met het kameraadschappelijk huwelijk te beginnen: de moderne markteconomie maakte het mogelijk dat vrouwen uit de middenklasse zich aan het productieproces onttrokken en al hun aandacht aan hun man en kinderen gingen schenken, in een apart huis zonder allerlei inwonende familieleden. De industriële revolutie bezorgde vervolgens vrouwen uit de nieuwe arbeidersklasse eigen inkomsten, wat hen minder gevoelig maakte voor controle door ouders en leeftijdgenoten. Zij konden in relaties hun eigen hart gaan volgen, en daaruit resulteerde op den duur de 'romantische liefde' als enige reden voor een huwelijk. Deze twee elementen tezamen hebben, aldus Shorter, in de negentiende en twintigste eeuw het moderne westerse gezin doen ontstaan.

 

trouwen36


Drie motieven om te trouwen: uit geldzucht, uit 'vleselijke begeerte' en uit ware liefde, door J. Saenredam, omstreeks 1600. (RM Amsterdam)


Nederlandse historici stellen echter op basis van onderzochte huishoudens dat in de kustprovincies van Nederland reeds in de zestiende eeuw sporen te vinden zijn van zulke gezinnen, vanwege de vroege economische bloei hier. Het bestaan van het woord 'gezin' lijkt hen al gelijk te geven: andere talen kennen dat niet en gebruiken de moeizame aanduiding 'nucleaire familie', alsof het om een recent fenomeen gaat.

De Nederlandse beeldcultuur biedt eveneens een vroege blik op moderne verhoudingen. Vrijers en vrijsters werden niet aangedragen door ouders maar hingen als vruchten in bomen, dus waren zelf te plukken. Rond 1600 tekende Jan Saenredam drie motieven om te trouwen: vanwege geld, vleselijke begeerte en ware liefde, met respectievelijk als getuige: de duivel, een engel en god - vooral die engel voor begeerte, zeg maar: verliefdheid, getuigt van onverwachte sympathie. Nog typischer zijn de familieportretten uit de zestiende en zeventiende eeuw, die toen elders in veel mindere mate werden vervaardigd. Neem het portret van Jan Jelisz. Valckenier en zijn naasten uit 1560, dat in het Amsterdam Museum hangt. Er is weinig over dit koopmansgezin bekend, maar dat het tamelijk intiem was blijkt uit de twee overleden kinderen die in doodshemd zijn afgebeeld: gevoelsmatig hoorden die er nog gewoon bij.

 

valckenier


Koopman Jan Jelisz. Valkenier met zijn gezin, omstreeks 1560. Linksonder twee overleden kinderen in doodshemd. Anoniem. (Amsterdam Museum)


Anderzijds is het zo dat in afgelegen gebieden in Nederland vrije partnerkeuze en huiselijkheid juist tamelijk laat regel zijn geworden. Een verklaring in de zin van Shorter zou zijn dat de industriële revolutie daar pas aan het eind van de negentiende eeuw op gang is gekomen, honderd jaar later dan in Engeland. Het feit dat streekdrachten in Nederland decennia langer dan elders in Europa zijn gedragen, biedt wat dit betreft een indicatie.

Maar ook al leefde het ideaal van de vrije partnerkeuze, de praktijk week daarvan vaak af. Onder de nette burgerij is tot halverwege de twintigste eeuw het laconieke 'moetje' de oplossing geweest voor jongens en meisjes die een 'ongelukje' was overkomen. Beide partners konden ook zelfstandig tot een verstandshuwelijk, een marriage of convenience, besluiten, en dat gebeurt tot op de dag van vandaag. Van hun kant waren ouders tot 1970 bij machte een huwelijk te traineren tot de dertigste verjaardag van een kind, want voordien was hun toestemming vereist; alleen een Kantonrechter kon dispensatie verlenen. Niet voor niets was het Schotse Gretna-Green, waar zestienjarigen reeds op eigen gezag en zonder getuigen in de echt konden treden, tot in de jaren zestig van de vorige eeuw onder trouwlustigen een levend begrip, al was het maar om van te dromen. De werkelijke huwelijksmarkt, kortom, was een tango van mogelijkheden, voorschriften èn veranderingen.

 

Partnerkeuze


Het mag opmerkelijk heten dat de Kerk al vroeg de vrije partnerkeuze omarmde. In het jaar 866 verklaarde paus Nicolaas I zich voor huwelijken op basis van consensus tussen man en vrouw, waarbij hun jawoord volstond, zoals de Romeinen dat kenden. Zelfs ouderlijke toestemming was niet vereist. De Kerk trachtte langs deze weg incest en inteelt te bestrijden en mogelijk haar eigen macht te vergroten ten opzichte van de adel die berucht was om zijn onderlinge arrangementen.

Maar om te beginnen beperkten trouwlustigen uit zichzelf hun keuze. Zij prefereerden soortgenoten, wat niemand zal verbazen. Sociale en culturele klasse mogen in de loop der tijd minder zijn gaan tellen, onlangs nog hebben demografen de term opleidingshomogamie bedacht: het verschijnsel dat mensen in zee plegen te gaan met iemand die althans een gelijkwaardige opleiding heeft genoten. 

 

hooft

Een origineel genre, sinds 1600, in de Lage Landen, waren de Emblemata Amatoria, of liefdesemblemen: tekeningen van Cupido met korte liefdesinstructies voor jongeren. Het eigen hart volgen werd dikwijls aanbevolen, maar ook  dat zij iemand moeten zoeken die bij hen past, zoals P.C. Hooft in zijn Emblemata uit 1611. www.dnbl.org 

 

Ook de ideale huwelijksleeftijd speelde een rol. Als middel tot geboortebeperking, zo wordt verondersteld, lag die leeftijd in heel West-Europa al sinds de late Middeleeuwen hoog: voor vrouwen op 25 jaar en voor mannen op 28 jaar. Vlak na de Tweede wereldoorlog daalde die leeftijd in Nederland tot 23 jaar voor vrouwen en 25 jaar voor mannen, maar inmiddels is hij opgelopen tot respectievelijk 31 en 35 jaar! Dit gaf en geeft tijdens de zoektocht naar huwelijkskandidaten zowel onder- als bovengrenzen.  

Externe belemmeringen bij de partnerkeuze zijn uiteraard ingrijpender.

Eigenlijk hebben alleen seizoensarbeiders op het platteland en stedelijke paupers zulke belemmeringen nauwelijks gekend. Velen van hen trouwden tot in de twintigste eeuw 'over de puthaak', dat wil zeggen, zij gingen zonder plichtplegingen samenwonen. Ooit stond die uitdrukking voor een concreet ritueel, waarbij trouwlustigen al dan niet in het bijzijn van getuigen over de stok heenstapten die bij een waterput werd gebruikt om de emmer naar zich toe te trekken. Een bezemsteel kon hetzelfde doel dienen, of een haag, of een eikeboom, of een halfdeur, zoals blijkt uit de zegswijze 'Over de halfdeur getrouwd zijn'. Aardig wat socialisten van het eerste uur zijn 'over de puthaak' getrouwd, wat in hun geval een vrij huwelijk aangaf, of eigenlijk géén huwelijk. 

De vrijheid werd meestal pas beknot wanneer er materiële belangen in het geding waren, en dat kon radicaal zijn. Vorstenhuizen huwelijkten geregeld kinderen uit die nog van niets wisten; in 1641 werden zo de negenjarige Maria Stuart van Engeland aan de veertienjarige Willem II van Oranje aan elkaar gekoppeld. Onder edellieden en welgestelde mensen zijn zakelijke huwelijken, die tevoren door volwassenen waren bedisseld, tot in de negentiende eeuw de norm gebleven. In de buitenlandse literatuur - van Shakespeare tot Theodor Fontane - komt de actieve en overheersende rol van de ouders ook dikwijls aan de orde; in de Nederlandse literatuur niet, wat vermoedelijk zowel iets zegt over die literatuur als over de betrekkelijke vrijheid die veel huwelijkskandidaten hier genoten.      

Onder boeren heeft tot in de twintigste eeuw het 'bunder bi bunder' als vaste leidraad gegolden, meldt S.J. van der Molen. Trouwen binnen de eigen welstandsgroep was voor mensen met bezit dusdanig dwingend dat velen daardoor niet trouwden. Voor heel West-Europa wordt hun aantal geschat op tien procent van de bevolking, maar van de Friese landadel bleef in de achttiende eeuw twintig procent van de mannen vrijgezel bij gebrek aan een goede partij. Zelfs in hedendaagse streekromans treden nog wel verbitterde broers en zussen op, die samenwonen op de boerderij van hun overleden ouders en elkaar als eksters in de gaten houden, omdat een huwelijk van een van hen zou betekenen dat de erfenis wordt opgesplitst, - in dusdanige porties dat er voor niemand van te leven valt.

Ook godsdienst is een allesbepalende factor geweest op de huwelijksmarkt. Niet alleen kerkelijke autoriteiten van alle gezindten hebben eeuwen geageerd tegen zogenaamde 'gespikkelde huwelijken', de overheid deed dat evenzeer. Tijdens de Republiek erkende de overheid het katholieke huwelijk niet eens; katholieken die als getrouwd te boek wilden staan moesten hun gelofte herhalen tegenover een predikant of een magistraat. In 1755 verbood de overheid zelfs haar ambtenaren, die al gereformeerd dienden te zijn, met katholieken te huwen. Tot de leeftijd van 25 jaar gold dat voor iedere protestantse Nederlander en degene die dat nadien toch deed mocht geen gemeenschap van goederen sluiten.

 

bedwingjehartstochten

'Beheers je hartstocht', moderne versie van een liefdesembleem uit 1621 door Gabriel Weyer. Zie http://spinoza.blogse.nl . 



Na de gelijkschakeling van de godsdiensten in 1795 nam de katholieke Kerk tot aan het Tweede Vaticaans Concilie in 1962 deze normatieve fakkel over. Voor een huwelijk met een andersgelovige moest een priester dispensatie verlenen, waarbij hij als voorwaarde stelde dat de kinderen rooms werden opgevoed, zo niet dan werd de betrokkene geëxcommuniceerd. Om de onwenselijkheid van zo'n huwelijk in te peperen vond de inzegening niet voor het altaar maar in de sacristie plaats, en de bruid werd gevraagd niet in het wit te verschijnen. Het gezegde 'Twee geloven op een kussen, daar ligt de duivel tussen' veranderde op deze manier algauw van een waarschuwing in een voorspelling.

Een laatste vorm van endogamie, zoals antropologen dat noemen, betrof de gemeenschap. Het 'soort zoekt soort' gold de lokale soort. In de Achterhoek, laat Van der Molen weten, zei men tot na de Tweede Wereldoorlog: 'Vrie naobers kind, dan wet iej wa'j wint'. Dit klinkt als een advies, maar om erfenissen en het aantal huwbare meisjes binnen de gemeenschap zeker te stellen, werd iedereen wel degelijk geacht in eigen water te vissen. Wanneer een jongen uit een ander dorp om een meisje kwam, dan stuitte dat op verzet van haar leeftijdgenoten. Hij moest hun verlof vragen en trakteren; een pak slaag was vaak de tegenprestatie. Bij een zo'n aframmeling is in 1946 nog een jongen om het leven gekomen, Evert Otten uit Echten, het laatste slachtoffer van een voorbij onheil.

 

Groepscontrole


Desondanks werden de meeste huwelijken niet bekokstoofd. Er was binnen de eigen groep 'voorliefde' mogelijk. Karakteristiek aan de partnerkeuze was wel dat zij openlijk en volgens niet mis te verstane signalen verliep, opdat de omgeving toezicht kon houden. Voor de bezittende klasse was de eerste toezichthouder de groep van ongehuwden zelf. In hoge stedelijke milieus bestonden in de zeventiende eeuw 'assemblées' en 'societeyten' die danspartijtjes voor ongehuwden organiseerden. Ook gingen zij met een boot of wagen spelevaren, waarbij elke brug die gepasseerd werd aanleiding tot zoentjes gaf. Aangekomen op het strand werden de meisjes de zee in gedragen en met zand ingewreven; iemand werd met grassprietjes 'gegrazeld', en daarna was het tijd voor bezigheden als letters snijden of vlechten.

 

trouwen8


Het 'grazelen' van een jongen in een 17e eeuws liedboek, door Gerard ter Borch de Oude. (Atlas van Stolk)


Kinderen uit gegoede kringen kregen tot in de huizen gelegenheid onder elkaar te zijn en spelletjes als 'slofje-onder', 'hoofdje-in-de-schoot' en 'zitten-in-de-put' te doen, die verregaande handtastelijkheden met zich meebrachten. Met de verpreutsing van de burgerij werden deze jongeren echter steeds meer aan banden gelegd; zij mochten elkaar niet meer in afzondering ontmoeten. Het enige wat overbleef waren de debutantenbals, met vader en moeder als kievieten rondom de dansvloer. Dergelijke bals leden na de Tweede Wereldoorlog een kwijnend bestaan maar middenin de hippietijd, in 1967, begon in Huis ter Duin in Noordwijk een nieuwe serie, die in de jaren negentig een pendant kreeg in het Scheveningse Kurhaus. Ooit bezaten zij een hoog aristocratisch gehalte, maar inmiddels bestaat de meerderheid uit mensen zonder titel, letterlijk: sine nobilitate, afgekort: snobs. Deze kwalificatie is niet helemaal adequaat, omdat in Nederland een snob een dandy is, een aansteller, en hier gaat het om serieus kopieergedrag. Gegeven het isolement waarin dat gebeurt lijkt deftige folkore wel een juiste typering.

 

trouwen11


Deftige folkore: Wiener Ball in februari 1996 in Huis ter Duin, Noordwijk. (ANP)


Ook op het platteland werden bijeenkomsten voor ongehuwden gehouden. De kermis deed als zodanig dienst, maar onder katholieken tevens processies. Vooral de Sint-Jansprocessie op 24 juni in Laren was in dat opzicht gewild, getuige het Eemlandse liedje: Ik ga noar Sint Jan, Bidden om een goede man, Kom ik doar niet kloar, Dan goa ik noar Keveloar.

Daarnaast waren er besloten bijeenkomsten, zoals de befaamde spinningen, die in de eerste maanden van het jaar plaatsvonden, vooral in het zuiden en het oosten des lands. De opzet was vlasdraden te spinnen en daartoe kwamen meisjes uit de omgeving 's avonds met hun spinnewielen in verscheidene boerderijen bijeen. Het gebruik schreef voor dat de ouders van huis waren en dat de jongens tegen negenen mochten verschijnen. Hun entree ging met de nodige branie gepaard. Zij gooiden een dode kat door een raam naar binnen, maakten rare geluiden of lieten een dolgeworden kip los, maar eenmaal in het aangezicht van de meisjes gedroegen zij zich bedeesder. Er werden liedjes gezongen, paartjes gevormd en gezelschapsspelletjes gedaan, waarover in verslagen van buitenstaanders steevast te lezen valt dat ze woest en onkuis waren.

 

trouwen10


'Buut of slage' op een spinavond voor jongeren in Drenthe, uit Jan ter Gouw, De volksvermaken(1871).


In Drenthe gold het 'buut of slage'. Paartjes die elkaar hadden gevonden, zaten op een stoel te 'snorren', te zoenen. Jongens die overcompleet waren, konden dan naar een vrijer toegaan en zeggen: 'Buut of slage' (ruilen of een klap). Antwoordde de vrijer: 'Slage', dan moest hij zijn hand uitsteken om een klap met een houten plak erin te ontvangen. Zo kwamen er regelmatig wisselingen tot stand.

Priesters, dominees en onderwijzers hebben zich van oudsher gekeerd tegen deze spinningen, maar ze gingen gewoon door, ook toen het vlas al lang en breed in fabrieken werd verwerkt. Pas in het eerste kwart van de twintigste eeuw kwam er een eind aan, vermoedelijk omdat de jongeren zelf afhaakten. Want al waren de ouders erbij afwezig, de controle die leeftijdgenoten uitoefenden ging ver. Niets kon zonder hen gebeuren. Zo werden stelletjes die zich probeerden af te zonderen groepsgewijs opgespoord, tot in huizen en velden toe; in het noorden van het land bestond hiervoor een apart werkwoord: 'strunen'. Stelletjes die hiervan gevrijwaard wensten te blijven, hebben veel baat gehad aan de opkomst van fiets. Daarmee konden zij naar een stil plekje peddelen of naar een naburige stad.

 

trouwen09


Moderne voorstelling in papierknipwerk van een vrijstermarkt, door Jantje de Jong-Brouwers. (Westfries Museum)


Een andere gereguleerde bijeenkomst voor trouwlustigen waren de vrijstermarkten. Dergelijke markten waren doorgaans aan een kermis of jaarmarkt verbonden en hadden grote dorpen en kleine steden als decor. Pieter de Neyn beschreef in Lusthof der Huwelijken uit 1681 vermoedelijk de oudste vorm ervan. In Schermerhorn, Noord-Holland, nodigde een 'uitroeper' met bekkens 'alle de vrijsters die lustig en rustig om te trouwen zijn' uit naar een herberg te komen waar de vrijers al klaar zaten. Na wat drank en dans werden de jongens en meisjes op een rij gezet en probeerde een pendelende makelaar al fluisterend contact tussen de kandidaten te leggen. De jongens voor wie een 'accord' tot stand was gekomen, draaiden voor alle kosten op. Maar deze Schermerhornse vrijstermarkt is in 1730 voor het laatst gehouden: er kwamen geen meisjes meer op af. Kennelijk vonden zij het te gortig worden om zich publiekelijk als huwelijksvee te presenteren.

Elders hebben meer gelijkwaardige vrijstermarkten langer gefunctioneerd. In Schagen boven Alkmaar was het tot ongeveer 1900 gebruik dat jongens en meisjes zich verzamelden op het kerkhof om een partner voor de kermis uit te zoeken. Bij het hek van het kerkhof moesten zij een dubbeltje betalen aan de 'werveldraaier', die te jonge en te oude meisjes weerde, evenals jongens van buiten het dorp. Onderling werd vervolgens een keuze gemaakt. Zij die een blauwtje hadden gelopen, kregen hun geld terug, maar werden wel bespot. Afgewezen meisjes moesten de klink van de kerkdeur schoonmaken, om daarmee de smet die op hen terecht was gekomen symbolisch te verwijderen.

Nog ongedwongener was de 'Maartekeur' in het Gelderse Lochem, die wéér langer heeft bestaan. Tijdens de jaarlijkse meimarkt formeerden meisjes op een plein een rij; jongens wandelden er ginnegappend langs en maakten hun voorkeur bekend door een krijtstreep op de jurk van een meisje te zetten. Bij instemming kon het meisje met de jongen aan de zwier gaan.

Hier was nog dus steeds sprake van een openbare keuring, maar er waren ook markten waarbij dat niet gebeurde en die hebben onze tijd gehaald. In Zwolle en Meppel en andere steden kwamen tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw jongeren van heinde en verre naar de jaarmarkt. Er was niets georganiseerd, maar er bestonden wel regels. Het begon met flaneren, giechelen en gluren. Waaghalzen duwden plotseling een meisje in de rug of omhelsden haar. Aan de felheid van haar, altijd afwijzende, reactie merkte een jongen of aanhouden zin had. De Staphorster jongens, die in Zwolle kwamen, probeerden de 'buul', de boodschappentas, van een dorpsgenootje af te pakken, waarmee zij het recht verwierven die 's avonds bij haar thuis terug te bezorgen. Dat had het meisje deels zelf in de hand. Als zij het absoluut niet wilde kon zij zich met tas en al over de grond laten meesleuren; als zij het wel wilde dan werd afpakken een sinecure.


Wonderlijk genoeg heeft zich in Schoorl, Noord-Holland, tot op heden een echte vrijstermarkt gehandhaafd. Naar verluidt al sinds 1573 hollen daar op Tweede Pinksterdag meisjes van het Klimduin naar beneden, om te worden opgevangen door gretige jongens. Deze tamelijk ongekunstelde vorm van vrijstermarkt kent ook modernere varianten. In veel dorpen en steden zijn nu nog plaatsen aan te wijzen waar jongens en meisjes groepsgewijs plachten te flaneren. In Zaandam was dat tot voor kort de Westzijde. Traditioneel hadden op woensdagavond de dienstmeisjes vrijaf en om met huwelijkskandidaten in contact te komen slenterden zij dan urenlang gearmd over straat. Die kandidaten doopten de avond 'billenavond', naar de Bullekerk die aan de Westzijde lag, maar ook naar het lichaamsdeel dat hun handtastelijkheden opriep. Vanwege de aansprekende naam kende ook Purmerend een billenavond.

Uit normale hedendaagse kennismakingen is dit soort publieke directheid verdwenen. De scheiding tussen jongens en meisjes, belichaamd in het groepsgewijs flaneren, behoort tot het verleden. Alles lijkt rustiger, afstandelijker en vrijblijvender te verlopen, wat een algehele opwinding niet uitsluit. Er is tegenwoordig natuurlijk tijd en gelegenheid (sportverenigingen, disco's en vakantieoorden) te over om een partner te vinden. Trouwen is bovendien voor velen geen absolute noodzaak meer. En degenen daar toch naar snakten, konden zich al aan het einde van de negentiende eeuw inschrijven bij particuliere huwelijksbureaus in de steden, al is nooit duidelijk geworden hoeveel kandidaten die in hun kaartenbakken hebben gehad én geholpen. 

 

speeddate

Speeddating, sinds 2002 in Nederland en inmiddels vertrouwd bij tienduizenden jongeren. www.speeddateavond.nl 

 

Dat vrijstermarkten echter niet helemaal hebben afgedaan, bewijzen de singleparty's voor vrijgezellen en gescheiden mensen die een herkansing wensen. Vanaf 1993 wordt daarmee in Nederlandse kranten geadverteerd. De berichten willen wel dat hierbij eerder moet worden gesproken van een markt van vrijers dan van vrijsters, vanwege de emancipatie van de laatsten.

Een geconcentreerde variant van de singleparty is speeddating, ontworpen door de Amerikaanse rabbijn Yaacov Deyo. In zijn boek A time-saving guide to finding your lifelong love uit 1999 zet hij de procedure uiteen: in estafette mogen jongens en meisjes gedurende drie minuten aan een tafeltje met elkaar kennismaken en er volgt een echte date als beiden 'ja' op een formulier hebben ingevuld. Amper drie jaar later was dit concept in Nederland ingevoerd en inmiddels is er een hele bedrijfstak omheen gegroeid die al enkele honderdduizenden jongeren tot deelneming verleidde. Ook ouderenbonden zagen er iets in, zij ontwikkelden voor hun achterban een aangepaste versie: slowdating.

Intussen kent ook internet allerlei gespecialiseerde huwelijksmarkten, bijvoorbeeld voor Oost-Europese dames. Kennismakingsannonces, booming in de jaren zeventig, zijn nu vooral daar te vinden. Maar voor wie een ouderwetse huwelijksmarkt prefereert: elk jaar in september is er in het Ierse dorp Lisdoonvarna een internationaal Matchmaking Festival, waar makelaars nog actief trouwlustigen koppelen.   


Toezicht thuis


Nog meer controle op de kennismaking bood het nachtvrijen of kweesten - in Duitstalige landen spreek men van Kiltgang, te vertalen als: nachtgang. Net als de spinningen en de vrijstermarkten was het fenomeen over grote delen van Europa verbreid en vond het vooral plaats in geïsoleerde gebieden met weinig standsverschil. In Nederland was het bekend van de Waddeneilanden en  Staphorst, al zijn er ook meldingen uit Amsterdam en de kop van Noord-Holland.

 

trouwen12


Het 'kweesten' op titelblad van Historie der Questers van H. Padtbrugge uit 1683. Bij kweesten was geslachtsverkeer uit den boze. (Atlas van Stolk)


Voor zijn Lustof der huwelijken ontdekte Pieter de Neyn dit gebruik in 1666 op Texel. Er was niet één huis op het eiland, schrijft hij, waar geen raam open of uitgebroken was, zodat 's nachts een jongeman naar binnen kon klimmen om bij een meisje in de bedstede te kruipen en boven op de dekens een praatje te maken tot één uur voor zonsopgang... 'werdende nooit gehoord van enig ongemak, of onbeschoftheid de dochter aangedaan'.

Het schijnt dat nachtvrijers over tientallen boerderijen uitzwermden en met elkaar bespraken wie bij wie op bezoek ging en welke meisjes aardig waren. Moralisten verhieven hun stem hiertegen, zoals Jacob Cats:

Ick zie men laet de jonckheyt toe,
Te mallen, ick en weet niet hoe,
Let, ouders, let op dit bejagh,
En bindt het vrijen aan den dagh

Een mogelijkheid om een en ander in goede banen te leiden was de bezoekende jongeman in een zak of laken te naaien - in koloniaal Amerika bekend als bundling; blijkens de film The Patriot (2000) kweet de schoonmoeder in spe zich persoonlijk van deze taak. In Nederland werd het nachtelijk bezoek echter steeds meer als een inbreuk op de privacy ervaren. Op de Waddeneilanden ging men ermee door tot in de negentiende eeuw; in het streng gereformeerde Staphort daarentegen tot aan de laatste wereldoorlog. Een 'noachie proate', heette het gebruik daar, en de kapotte ruit was er vervangen door een klein venster boven de melkkelder, waarachter de ongetrouwde dochter placht te slapen; vandaar ook wel: 'venstervrijen'.

 

trouwen13


Enscenering van venstervrijen in Staphorst. Uit D. J. van der Ven, Van vrijen en trouwen op 't boerenland. (1929)


In meer burgerlijke boerenmilieus verkozen ouders toezicht uit te oefenen tijdens officiële bezoekjes aan huis. Diverse folkloristen uit de twintigste eeuw geven hier nog beeldende beschrijvingen van. Op een bepaalde avond, meestal zondagavond, klopten de jongemannen bij de meisjes aan. Het tijdstip waarop dat gebeurde varieerde per streek, maar luisterde nauw, want als een jongen iets later kwam dan kon dat betekenen dat hij elders was weggestuurd, wat zijn kansen verkleinde. Ook kon het natuurlijk zijn dat een mededinger hem voor was geweest.

In tegenstelling tot de vrijstermarkten was het hier de vrijer die werd beoordeeld, zelfs door de hele familie. Beviel hij ook maar even niet, was hij bijvoorbeeld te jong of te onbemiddeld, dan gaf alles wat hij deed aanleiding tot grappen. Waling Dijkstra vermeldt voor Friesland een pesterij om de jongen van alles tegelijk aan te reiken, zodat hij iets uit zijn handen moest laten vallen. Toch was het voor hem zaak zo lang mogelijk binnen te blijven. Kwam hij voortijdig het huis uit, dan waren er leeftijdgenoten die hem de 'mislukte meidslag' inpeperden.

De verlossing moest van het meisje komen. Typerend was dat zij haar oordeel liet weten door middel van een gebaar; meer theater werd er niet van gemaakt. Afwijzing in Noord-Holland was wanneer het meisje bij binnenkomst van de jongen bleef zitten. En zijn laatste kans was verkeken zodra het meisje de tang pakte om het vuur in te rekenen: 'Voor de tang zijn alle vrijers bang'.

Afwijzing in Gelderland was een pannenkoek met weinig beslag of met het zwoerd van de spekjes tegen elkaar aan; in Zeeland wanneer het meisje hem geen vuur gaf om zijn pijpje aan te steken; in Friesland wanneer zij hem geen stoel aanbood en haar oorijzer afzette; in Zuid-Holland wanneer hij een kapje van de koek kreeg. Híer sneed het meisje de koek die de jongen had meegebracht niet aan wanneer zij hem niet mocht, dáár at ze koek dan juist alleen op, enzovoort. Het tegendeel van dit alles impliceerde uiteraard een aanmoediging. Als die boodschap werd gegeven, kon de jongen nog eens terugkomen of haar meenemen voor 'los verkeer'.

 

Verkering


Een verkering - in hogere kringen sprak men van 'acces' of 'conversatie' - duurde in het verleden meestal kort, omdat men al snel tot een huwelijk besloot, maar dat laatste hoefde er niet altijd uit te volgen. Onder boeren werd het paar eerst grote vrijheden gegund, variërend per regio. In Friesland mochten tot 1900 jongens en meisjes 'opzitten' wanneer haar ouders naar bed waren gegaan; ook konden ze elkaar ongestoord ontmoeten in het 'lytshûs', het 'kleinhuis' naast de boerderij. In Staphorst en andere plaatsen werd een 'vrij huussien' gegeven. Op Walcheren brachten paartjes de nacht door in de bakkeet, wat in de benaming van het gebruik terugkwam: 'bakketen'. In Spakenburg heette dit 'kraaienvangen', in Huizen 'kredieten', in Urk 'om top gaan'.

 

trouwen14


Zoorholt, de aangeklede boomstam als vervangende bruidegom voor een in de steek gelaten meisje. Bing en Braet von Ueberfeldt (1857). 

 

De bedoeling van deze vrijheden was datgene te laten gebeuren waarvoor huwelijken bestemd leken: het meisje moest zwanger raken. Kinderen waren op het platteland met het oog op erfopvolging en zekerstelling bij ziekte en ouderdom niet iets om aan de voorzienigheid over te laten. De meeste  demografen schatten het aantal zogeheten zwangerschapshuwelijken vroeger op twintig procent, maar volgens de folklorist D.J. van der Ven konden voor de laatste wereldoorlog op het platteland negentig procent van alle huwelijken zo worden genoemd, wat in elk geval aangeeft dat de bewoners het verschijnsel volkomen normaal vonden. Een Franse boerenwijsheid betoogde niet voor niets: 'Vrouwen bevallen na drie maanden, maar alleen de eerste keer'.

De verkering was over als het meisje onvruchtbaar bleek. Als de jongen daarna met een ander in ondertrouw ging, werd het meisje nog eens herinnerd aan haar niet-ingeloste verplichting jegens de gemeenschap. In Drenthe kreeg zo'n meisje tot in de twintigste eeuw een kolden vrijer: een dode wilgenstam (zoorholt), met kiel en pet bekleed, die door de padjongens met een berijmde toespraak bij haar thuis werd afgeleverd. Zij hoorde daarvoor met een versnapering te bedanken! Hoe onwaarschijnlijk dit gebruik ook lijkt, de schrijver Thomas Roosenboom heeft er in zijn historische roman Publieke werken (2000) een geloofwaardige beschrijving van gegeven.

In Noord-Holland kende men voor hetzelfde doel een versierde stropop (dorhoed) met bijvoorbeeld de tekst: 'Wilt dit beeltenis aanschouwen. Want het zal u wel berouwen. Dat hij nu zal trouwen gaan. En gij moet achter staan.' Elders werd haar een hoepel met stro om de hals geworpen of werd zij met kaf bestrooid. Troep op haar erf neerzetten gold als afronding van dit 'zuiveringsritueel'.

 

trouwen18

Bij deze foto uit Etiquette schreef A.M.J. van Deinse nog in 1965: 'Het is wel romantisch maar niet correct om in een innige omstrengeling op straat te lopen'.


Het was dus zaak dat een verkering in stand bleef, ook voor de jongen. Als alternatief dreigde het vrijgezellenbestaan en dat was weinig aanlokkelijk. Iemands status werd bepaald door de vraag of hij of zij getrouwd was en een eigen huishouden bezat, omdat alleen daaraan materiële zekerheden waren verbonden. Vrijgezellen werden geminacht. Ze woonden in bij familie, bij wie ze 'in de voddenmand' zaten en een ondergeschikte positie innamen. Daarom was het vooruitzicht een vrijgezel te worden een obsessie. Er bestonden clubs voor wie de hoop nog niet had opgegeven, zoals De Geitenfokvereniging of de Club van Ongekuste Jongeren. Het doek viel onbarmhartig bij dertig jaar. In sommige plaatsen, zoals het Zeeuwse IJzendijke, kreeg de mannelijke vrijgezel dan een 'sleutel van de ossenwei', die hem lid maakte van de kudde norse kastraten.

Maar ook als de verkering voortduurde, was het levensgeluk niet binnen handbereik. De socioloog H.A. Sillevis beschrijft voor de Noordwest-Veluwe hoe paartjes zich daar tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw gedroegen. Zo de jongen en het meisje zich al gezamenlijk ergens vertoonden, wat ze liever niet deden, dan vermeden ze onderling elke uiting van genegenheid: geen omarming, geen zoenen, geen verliefde blikken. Een dergelijke houding is op het platteland lang algemeen geweest. Het tonen van affectie vond men kale drukte, wat niet eens met preutsheid te maken had maar met de nuchterheid en zakelijkheid die nodig waren voor het boerenbedrijf. Openlijk vertoon van affectie zou ook meteen 'open' zijn geweest, in de zin dat iedereen zich ermee bemoeide. Wat dit betreft lijken Nederlandse plattelandspaartjes het overigens nog beter te hebben getroffen dan hun lotgenoten in Frankrijk, zoals Christian Robb beschrijft. Daar was de romantiek nog zo ver weg dat paartjes geen andere uitingen hadden dan elkaar grijnzend stompen te geven of zelfs met stenen te bekogelen. En bestaat er een onmachtiger liefdesuiting als het elkaar vlooien, iets wat in de derde wereld nog op grote schaal gebeurt? 

 

trouwen33


Postkaarten uit begin 20ste eeuw met aanschouwelijk onderwijs in de romantische liefde. Op de meest rechtse postkaart had de afzender naast het adres 'Z.O.P.' gezet ('Zie onder Postzegel') en onder die postzegel stond: 'Gekust schat'.


Op een bepaalde manier gold afstand toen ook nog voor de burgerij. Preutsheid en fatsoen waren hierbij wel de overwegingen. Amy Groskamp-ten Have schreef in een naoorlogse editie van haar veelgelezen Hoe hoort het eigenlijk dat zelfs verloofde stelletjes nog niet gearmd over straat hoorden te gaan - 'over de gewoonte om behalve arm in arm ook nog hand in hand te lopen kan beter gezwegen worden… Dit is strijdig met alle begrippen van goede vormen'.

Achteraf is deze norm in een oogwenk veranderd. Naar het voorbeeld van jongeren uit de volkswijken en onder invloed van wat de moderne media zo al aan gedragingen voor stelletjes hebben laten zien - en die invloed is enorm geweest: een heel scala van verliefde gebaren en gezichtsuitdrukkingen is daardoor over de hele wereld verspreid geraakt - verschijnen sinds de jaren zestig ook jongens en meisjes op het platteland en uit de burgerij innig verstrengeld in het openbaar, zonder dat iemand er aanstoot aan neemt.


Toestemming en aanzoek


Het ogenblik was daar voor een formeel huwelijksaanzoek. Net als moslims en hindoes plegen te doen, werd dat aanzoek lange tijd eerst gericht tot de vader van het meisje, zonder dat de jongen en het meisje erbij waren; soms zelfs zonder dat zij het wisten. Dit was tegen de wil van de Kerk, maar het kerkvolk en de wetgever verkozen anders. Onder de adel, regenten, fabrikanten en rijke boeren is het tot in de negentiende eeuw voorgekomen dat de verkering zelfs kon beginnen met een aanzoek. Iemand informeerde namens de familie van de jongen bij de vader van het meisje of zij vrij was. Vervolgens waren het de gezinshoofden die het stel aan elkaar koppelden en de uithuwelijking regelden.

Dat het aanzoek werd gericht tot de vader van het meisje lag voor de hand, want hij diende toestemming voor het huwelijk te verlenen. Dat moest zelfs notarieel als hij niet in levenden lijve bij de ceremonie aanwezig kon zijn. De leeftijd tot wanneer toestemming was vereist varieerde in de loop der eeuwen. Tijdens de Republiek was dat tot 20 jaar voor meisjes en tot 25 jaar voor jongens, volgens het idee dat meisjes eerder volwassen zijn. Nieuwe  wetgeving van 1809 voerde een levenslange toestemming in, wat twee jaar later weer werd teruggedraaid tot 21 jaar voor beide seksen. Allicht om de genoten vrijheid in te tomen werd de leeftijdsgrens in 1838 verhoogd tot 30 jaar, wat tot 1970 zo is gebleven. Daarna werd het weer tot 21 jaar en sinds 1985 tot 18 jaar, waarmee de ouderlijke toestemming feitelijk vervallen is verklaard, want dat is tevens de jongste leeftijd waarop iemand in het huwelijk kan treden. Dispensatie voor meisjes tot 16 jaar is in geval van zwangerschap wel mogelijk, maar dat geschiedt dan door de overheid. 

Alleen al uit de wijze waarop het aanzoek in de loop van de tijd plaatsgreep, valt te zien hoe de relatie tussen een jongen en een meisje steeds persoonlijker is geworden. Eerst begon de vader van de jongen hem als lijdend voorwerp mee te nemen naar de vader van het meisje; daarna werd de vader slechts de begeleider van zijn zoon en weer later bleef hij helemaal weg. Nog steeds werd het aanzoek tot de vader van het meisje gericht, niet tot haarzelf, maar ook dat veranderde. Het meisje kreeg eerst een informeel aanzoek en kwam erbij zitten als haar aanstaande een formeel aanzoek bij haar vader deed. Dat aanzoek werd: vragen om instemming in plaats van toestemming. En ten slotte: de jongen en het meisje die samen al dan niet officieel aankondigen dat ze hebben besloten te trouwen, of zelfs dat niet eens: ze gaan zonder enige kennisgeving samenwonen. Deze laatste revolutie in de menselijke betrekkingen heeft zich voltrokken sinds de jaren zestig. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek woonde aan het eind daarvan een op de tien stellen eerst enige tijd informeel samen, tegenwoordig is dat maar liefst negen op de tien.

 

troost


Huwelijksvoorstelling aan de ouders van Saartje Jansz., naar Cornelis Troost. In dit 18de eeuwse, doopsgezinde milieu werd een huwelijksvoorstel gedaan door twee bemiddelaars met hoge hoed aan de vader en de moeder van het meisje, met de moeder vooral als getuige. Het meisje luistert aan de deur mee en de jongen om wie het gaat is afwezig. (Rijksmuseum)


In hedendaagse etiquetteboeken zal men hierom geen uitgebreide instructies voor het aanzoek vinden, maar Amy Groskamp-ten Have gaf na de Tweede Wereldoorlog jongens uit de burgerij nog de volgende aanbevelingen mee. Tijdens het tweegesprek met de vader van het meisje diende de serieuze kandidaat eerst toestemming te vragen om zich met diens dochter te mogen verloven. Dan zei hij: 'Ik begrijp, dat U graag alles van mij en mijn familie en mijn omstandigheden wilt weten' en hij begon aan een opsomming: namen zowel van vaders- als van moederszijde, beroep van vader en grootvader, eventuele algemeen bekende persoonlijkheden in de familie, zijn leeftijd, gezondheid, godsdienst, politieke overtuiging, opleiding, diploma's, betrekking, inkomen, carrièreperspectieven en namen van mensen die bereid waren referenties over hem te verstrekken...

Het aanzoek aan de ouders van het meisje mag een futiliteit zijn geworden - bij het aanzoek tussen de jongen en het meisje zien we het omgekeerde. Lang is dat een intieme gebeurtenis gebleven, waarbij het opleidingsniveau en de romantische inslag van het paar voor de enscenering zorgden. De ridderlijke knieval was immers niet iedereen bekend. Sinds enige decennia worden aanzoeken in graffiti op viaducten geschreven, ze dalen neer vanuit luchtballonnen of worden zonder waarschuwing vooraf overgebracht door een televisiepresentator. Op Youtube zijn zelfs aanzoeken te vinden met een flashmob als animator. Hoewel het aantal paren dat deze publieke weg kiest niet groot is, lijkt er een algehele strijd te zijn ontbrand om originele manieren te bedenken. De huidige gelijkwaardigheid tussen man en vrouw heeft natuurlijk de behoefte aan een nieuwe vorm voor het aanzoek doen ontstaan, want inmiddels schijnt dit al in twintig procent van de gevallen door de vrouw te worden uitgesproken. Maar belangrijker lijkt dat paartjes hun exclusieve verhouding bevestigd willen zien tegenover een getuigende massa. Het is theater van het persoonlijke. En het beste bewijs dat relaties tegenwoordig absoluut privé zijn.

 

Huwelijkscontract

 

Een huwelijksaanzoek heette vroeger ook een huwelijksvoorstel en dat tekende de sfeer. Vertegenwoordigers van beide families werden uitgenodigd 'op het huwelijk te zitten' en het was doorgaans aan een notaris, dominee of priester om 'de knoop te leggen'.

De onderhandelingen over de huwelijkse voorwaarden gingen met strijkages gepaard, maar waren hard. In de christelijke wereld heeft zich nooit een vaste voorkeur ontwikkeld voor een bruidsprijs (zoals bij moslims) of een bruidsschat (zoals bij hindoes), want in de bijbel komen beide vormen voor. Toch werd de bruidsprijs als denigrerend voor vrouwen beschouwd, zoals verwoordt in 1 Cor 6:20: 'U bent gekocht en betaald, dus bewijs God eer met uw lichaam'. Niettemin bleven zowel de bruidsprijs als de bruidsschat tot in de zeventiende eeuw bestaan, toen het huwelijk in algehele gemeenschap van goederen definitief doordrong. Voordien kon een meisje via een bruidsprijs financiële zekerheid geboden krijgen door de familie van haar man, of als huwelijkskandidate door haar vader extra aantrekkelijk worden gemaakt via een bruidsschat. Als bruidsprijs kende men de morgengave, een kostbaar sieraad dat na de huwelijksnacht aan de vrouw en haar familie werd geschonken. Als bruidsschat fungeerde de dos, die bij het huwelijk door de vader van de bruid werd ingebracht. De bruidsprijs is al eeuwen weg, maar de bruidsschat heeft zich ontwikkeld tot uitzet. Ook het gebruik dat de familie van de bruid de kosten van de huwelijksdag betaalt (betaalde) is op de bruidsschat gebaseerd. 

 

huwelijkscontract

Onderhandeling over een huwelijkscontract bij een notaris: kennelijk geen feestelijke gebeurtenis. De aanstaande bruid is afwezig. Olieverf Jan Josef Horemans, 1750. (www.geheugenvannederland.nl )

 

Tijdens de onderhandelingen over een huwelijk moest de familie van de jongen eerst de familie van het meisje overtuigen dat zij goed terechtkwam. Dat kon betekenen dat haar vader om inzage van zijn boeken vroeg en onbeschroomd diens bezittingen inspecteerde. Dan werd de toekomstige huisvesting besproken en de hoogte van het 'weduwen- en speldengeld' bepaald, het geld voor grote en kleine zaken dat zij bij overlijden van haar man zou krijgen. Hier tegenover werd vervolgens de uitzet van de bruid gesteld. Een uitzet kon variëren van kleren en linnengoed tot heuse kapitaalgoederen, wat onder koopmansfamilies niet ongebruikelijk was, zeker wanneer hun dochter een edelman aan de haak had geslagen. Zodra de partijen akkoord waren kon het huwelijkscontract door een notaris worden ondertekend of aan omstanders ('dedingsluden' of 'hylicksvrunden' in Oost-Nederland) worden voorgelezen, wat dezelfde rechtskracht had.

Tegen deze 'huwelijkshandel' rezen al in de zeventiende eeuw bezwaren. In een anonieme brochure uit 1783 met de titel Huwelijkscontracten en Huwelijksplechtigheden van verscheiden Volken vertelt de schrijver dat hij als getuige was uitgenodigd om een huwelijkscontract tussen een stel, Celiane en Melson, te tekenen. Toen hij binnenkwam hadden de beide ouderparen al drie uur met elkaar gehaspeld over de vraag wat er moest gebeuren als Celiane in het kraambed stierf en haar kind haar slechts kort zou overleven. Het geschil liep zo hoog op dat het huwelijk alleen door 'teder vleien en zoete bevalligheden' van de twee gelieven kon worden gered. Maar toen het contract uiteindelijk werd voorgelezen, liepen bij hen de tranen over de wangen, want het bevatte slechts bepalingen over giften bij vooroverlijden, lijftocht, weduwschap en duur van de rouw; het was een 'testament bij voorraad'.

Wat er gebeurde was dat in kringen waar zo'n contract toch al minder belang had, de onderhandelingen erover werden uitgesteld tot na de ondertrouw, dus nadat de toestemming voor het huwelijk al was gegeven. In de negentiende eeuw werd dat onder de burgerij de gewoonte. Maar met name onder gezeten boeren bleef de oude zakelijkheid nog bestaan. Voor hen stond er ook veel op het spel. Het paar trouwde vaak bij de ouders van de jongen in en moest eventueel het bedrijf voortzetten, wat niet alleen strikte afspraken vooraf maar ook een zorgvuldige partnerkeuze vereiste. Pas toen de landbouwmechanisatie een behoorlijk niveau had bereikt, kon onder eigenerfde boeren de liefde worden vrijgegeven.


Verloving


Met de ondertekening van het huwelijkscontract was de verloving, de belofte om te trouwen, een feit. De trouwbelofte werd in de regel bekrachtigd door een geschenk van de jongen aan het meisje, ook wanneer er helemaal geen huwelijkscontract bestond, zoals bij de meeste mensen het geval was.

 

trouwen20

Een zilveren knottekistje, in Friesland en Noord-Holland tot in de 18de eeuw in gebruik als onderpand van een trouwbelofte. (Westfries Museum)


Als geschenk dienden een penning, een ring, een vingerhoed of een stuk koek en een paar hazelnoten. In Friesland en delen van Noord-Holland kende men de knottedoek, een lap waarin muntstukken zaten geknoopt, die door het meisje vaster werd aangetrokken als zij de verloving wenste. Rijke lieden bewaarden die doek in een zilveren knottekistje, nu een kostbare antiquiteit. Mettertijd heeft de ring, die al bij de Romeinen bekend was, alle andere voorwerpen verdrongen. Voor katholieken is dat niet vreemd, want de ring was sinds de elfde eeuw in de liturgie opgenomen. Maar protestantse dominees verwijderden de ring daaruit en hebben dat volgehouden tot 1930.

Interessant is dat de ring aanvankelijk door de man aan de vrouw werd gegeven, zonder dat hij iets terugkreeg. Volgens de volkskundige Han Voskuil symboliseerde de ring zijn trouwbelofte aan haar en was daardoor een onderpand. Zij hoefde de ring ook niet te dragen en zo ze dat wel deed, dan was dat onder invloed van de heersende mode. Met de veranderingen in het 'psychisch klimaat' tussen man en vrouw, gebeurde het steeds vaker, aldus Voskuil, dat zij elkaar een ring gaven, die uit een deel voor haar en voor hem bestond. Tussen de zestiende en achttiende eeuw doken hiervoor tweedelige 'hoepringen' op. Aan het eind van die periode gingen vrouwen uit hogere stedelijke milieus hun ring daadwerkelijk dragen, enerzijds ten teken van trouw aan hun man en anderzijds ter bescherming van hun maatschappelijke status. Ze deden de ring om de wijsvinger, omdat daar een adertje doorheen zou lopen dat rechtstreeks naar het hart voert, en hadden hem ook altijd om - op dat ene ogenblik na dat hij verhuisde van de linker- naar de rechterhand bij protestanten en van de rechter- naar de linkerhand bij katholieken.

In de negentiende eeuw gingen de eerste mannen een ring dragen, als uiting van echtelijke trouw. Deze gewoonte verbreidde zich vanuit de stad over het platteland en vanuit de hogere kringen over de lagere, dit ondanks de weerzin die veel protestantse dominees en mannen ertegen hadden. Mannen waren bang voor 'opscheppers, kaatjes of zeikers' te worden versleten. Maar toen de 'ringwisseling' ook in de protestantse kerk werd ingevoerd, leek de omwenteling voltooid en bloeide de ringindustrie als nooit tevoren.

Althans tot 1965, want vanaf die tijd daalde de verkoop van ringen en droegen sommige stelletjes helemaal geen onderscheidingsteken meer. Zeker had dit voordelen, want iemand met oneerbare bedoelingen verborg doorgaans zijn ring; een terugkerend tafereel in oude films en romans. Toch was het niet met dat oogmerk dat ringen nu achterwege werden gelaten, want als alternatief kwamen medaillons en bedeltjes in zwang. Paartjes concludeerden kennelijk dat zij als teken van onderlinge verbondenheid van alles konden gebruiken en hadden niet langer behoefte aan de status die een ring ooit gaf.

De verloving heeft een zelfde ontwikkeling ondergaan. Verlovingen waren onder de burgerij tot ver in de negentiende eeuw hoogtijdagen. Er werd een annonce in de krant gezet, het stel stuurde visitekaartjes rond, er werden bezoekjes aan familieleden en vrienden afgelegd en zelfs een verlovingsreceptie behoorde tot de mogelijkheden. Ook anderszins had een verloving voor de burgerij zin. Het sparen voor meubels begon en de jongen en het meisje konden gaan en staan waar ze wilden, zonder de eeuwige chaperonne.

 

verloving1

Prentbriefkaart bij de verloving van prinses Juliana en prins Bernhard in 1936. Een verloving in de koninklijke familie is tot vandaag een publieke aangelegenheid, zoniet onder gewone burgers. www.geheugenvannederland.nl


Onder de meerderheid van de bevolking daarentegen was de verloving rond 1900 nog zo goed als onbekend, maar een inhaalslag volgde, met de ring als wegbereider. In de jaren zeventig van de vorige eeuw verklaarde in een onderzoek van Bureau Makrotest bijna 85 procent van de geënquêteerde stellen dat zij zich min of meer officieel hadden verloofd. De verburgerlijking van de arbeidersklasse speelde hierbij een rol, maar ook de algehele welvaartsstijging die een extra cadeautjesronde voor huwelijkskandidaten mogelijk maakte.

Niettemin, ondanks die recente opbloei, lijkt het erop dat de verloving aan betekenis inboet. Verlovingsannonces verschijnen nog zelden in kranten, verlovingskaartjes worden bij de drukker niet meer in modelvorm aangeboden en mensen die voor een verlovingsreceptie worden uitgenodigd zullen daarvan raar opkijken. Veel stelletjes verloven zich tegenwoordig in het geheim en brengen hun familie daarvan terloops op de hoogte. In kringen waar de verloving van oudsher gebruikelijk was, slaan paartjes deze fase helemaal over. De vrijheid die zij met een verloving kregen, krijgen zij nu zonder ook wel, en verder vinden zij het gebaar dat een verloving toch vooral tegenover de buitenwacht was, niet langer nodig. Eigenlijk is een verloving alleen nog een publiek gebeuren bij de koninklijke familie. Het Nederlandse volk kan daardoor kennismaken met de aanstaande koninklijke hoogheid, en bij een mogelijke troonopvolger wordt dan tevens bekend gemaakt of het paar wettelijke toestemming voor een huwelijk gaat vragen, een noodzakelijke stap om de desbetreffende status te mogen behouden.

 

 lovelocks

Na al sinds 2006 een mondiale rage te zijn, verschenen in 2013 de eerste lovelocks aan de houten brug over de Groenbrugwal in Amsterdam. (Foto ontleend aan tumblr) 

 

Dit alles neemt niet weg dat paartjes onderling nog steeds hun verhouding symbolisch bekrachtigen. Eeuwenoud zijn de gekerfde initialen met een hartje in boomstammen, de bedeltjes en hangers met een haarlok of afbeelding. Recentelijk kwam daar het liefdesslot of love (cap-) lock bij, dat aan een brugleuning wordt vastgemaakt, waarna de sleutel in het water verdwijnt - een drievoudige binding, of viervoudig als men het paartje dat het slot aanbrengt meetelt. Voorbeelden van zulke sloten zijn er al uit de Eerste Wereldoorlog in het Servische Vrnjacka Banja en uit de jaren tachtig in het Hongaarse Pécs, maar de internationale rage begon na verschijning van het boek Ho voglia di te (Ik wil je) van de Italiaanse schrijver Federico Moccia in 2006, met daarin een overigens volledig verzonnen slotritueel aan de Ponte Milvio in Rome. Sindsdien verschenen liefdessloten bij tienduizenden aan bruggen in vrijwel alle Europese steden. In Parijs, Florence en Keulen moest de overheid al ingrijpen om de woekering te beteugelen. Afgaand op Google werd in Nederland daarentegen pas in 2012 een eerste slot gesignaleerd, in Nijmegen; Amsterdam volgde een jaar later. Wel gek, want Nederlanders staan in de reclamewereld te boek als early adopters van nieuwe trends en zijn zelf vormgevers geweest van het hedendaagse exhibitionisme tijdens massafeesten, maar als het gaat om romantische gevoelens bezitten zij kennelijk toch enige schroom en/of nuchterheid. Ongetwijfeld een leerproces. 

  

Trouwdwang


Nog om een andere reden heeft de officiële verloving aan kracht ingeboet: zij was vroeger bindend, wat in de Engelse benaming voor verloofd nog duidelijker doorklinkt: engaged (to be married). Kreeg een van de partijen alsnog spijt dan was dat onvoldoende om het huwelijk af te gelasten; het jawoord was bij wijze van spreken al gegeven. Deze opvatting stamde uit de tijd dat een huwelijk voltrokken werd door een trouwbelofte gevolgd door 'vleselijke conversatie'.

Zo, 'zonder veel gelaats', kwamen tot in de zestiende eeuw bijna alle huwelijken tot stand. Weliswaar had de Kerk op het Concilie van Lateranen in 1215 voorgeschreven dat een huwelijk - nadat het tot drie keer toe was afgeroepen - door een priester en in aanwezigheid van getuigen moest worden ingezegend, zo niet dan was het clandestien, maar tegelijkertijd bleef zij de volkse praktijken erkennen. De trouwbelofte overleefde vervolgens diverse concilies, de Hervorming en zelfs de scheiding van kerk en staat in 1795, waarbij het burgerlijk huwelijk werd ingevoerd en het kerkelijk huwelijk slechts een ceremoniële status kreeg toebedeeld. Pas het Burgerlijk Wetboek van 1838 bepaalde dat niemand op grond van zo'n belofte tot een huwelijk kon worden gedwongen.

De moeilijkheid van een trouwbelofte was de bewijsbaarheid. Soms was een ondubbelzinnige schriftelijke verklaring opgesteld ('Ik, Andries Belt bezwere...') en ook een opgemaakt huwelijkscontract bood doorgaans voldoende bewijs, maar wat als het contract niet door een handtekening maar door een penning of een ring was bekrachtigd? Was de rechter van een toezegging overtuigd dan kon hij de woordbreker tot een schenking dwingen, wat meestal gebeurde. Stond de eer van het meisje op het spel, omdat het huwelijk al was aangekondigd, dan kon een rechter de jongen net zo lang gijzelen totdat hij bereid was te trouwen. Eventueel werd een vertegenwoordiger benoemd die in zijn naam de formaliteiten bezegelde.

Tot in de twintigste eeuw zijn er processen aangespannen om een gebroken trouwbelofte alsnog na te komen, al ging het daarbij meestal om schadevergoeding voor een meisje dat een kind verwachtte of al had gekregen. De wetgever liep hierin klaarblijkelijk ver voor op de heersende moraal. Daar waar de rechter geen hulp kon bieden, bestond altijd nog de mogelijkheid het paar tot een 'moetje' te bewegen. Onder de burgerij zijn dergelijke 'moetjes', die meestal in stilte werden voltrokken, pas uit het repertoire verdwenen sinds abortus in de jaren zeventig van de vorige eeuw een uitweg bood. Ook al werd daar geen gebruik van gemaakt, het simpele feit dat dat alternatief bestond ontsloeg de jongen en het meisje van trouwdwang.

Op het platteland, waar niet alleen de familie maar de hele gemeenschap door een geschonden trouwbelofte werd getroffen, koos men in zo'n geval voor een publieke aanpak. De woordbreker kon een serenade van ketelmuziek krijgen of zijn erf vol karren, het zogenaamde tafelen of toffelen, wat in de Brabantse Kempen nog tot in de jaren vijftig gebeurde. Een stropop verbeeldde daarbij de versmade geliefde.

 

tafelen

Tafelen in Zandoerle, 1952, met karren op het erf en vastgebonden aan het dak een stropop in een bed, ter herinnering aan de trouwbelofte. Foto Martien Coppens, www.fotoleren.nl  

 

In Drenthe en noordwest-Overijssel konden weigerachtigen symbolisch in de echt worden verbonden. Dit gebruik is onder verschillende benamingen bekend (kolde bruloft, kolde wasschup, halen, wagenrijden, op de wagen nemen), maar de vorm was overal gelijk. Op een bepaalde avond werd de weigerachtige jongeman door zijn leeftijdgenoten van het dorp van huis afgehaald en gedwongen op een boerenwagen - of in een punter, zoals in Giethoorn - te gaan zitten, die vaak met mest beladen was. In optocht van soms wel een paar honderd man ging men naar het huis van het meisje. Het meisje werd eveneens op de kar gezet of de jongen werd bij haar binnen gebracht. Was er een kind in het spel, dan vond de zogenaamde kniezetting plaats: door het kind op de knie te nemen erkende de vader immers zijn vaderschap. Was het meisje in verwachting, dan ontlokte een van de aanwezigen, die zich de rol van burgemeester aanmat, de jongen een nieuwe trouwbelofte en verklaarde het paar vervolgens voor getrouwd. 'Voor 't aangezicht des volks' moesten de jongen en het meisje elkaar omhelzen. Een dergelijke koude bruiloft is nog in 1941 voorgevallen in Staphorst.

 

Ondertrouw

 

Clandestiene huwelijken, hoewel door de Kerk erkend, gaven makkelijk aanleiding tot bloedschande, echtscheiding, bigamie, bastaardij en vluchtigere vormen van huwelijkszwendel, zoals valse trouwbeloften. Ook deden zich er vaak erfenisproblemen bij voor.

In de kerkelijke strijd om meer invloed op de huwelijksmores had het Concilie van Lyon in 1274 bepaald dat het huwelijk een sacrament was, wat een verbod op echtscheiding impliceerde, want overeenkomstig Marcus 10:9 kon geen mens scheiden wat God had verenigd. Hiermee nam de Kerk tevens afstand van de bijbelse verstoting door mannen, zonder dat vrouwen daarmee hoefden in te stemmen, wat onder joden tot in de Middeleeuwen gangbaar was en onder moslims nog steeds is. Het Concilie van Trente in 1563 verplichtte vervolgens dat alle huwelijken in clara luce (bij daglicht) en in facia ecclesia (voor het front van de kerkgemeenschap) moesten plaatsvinden. Minimaal drie weken voordien moesten trouwlustigen ook formeel in ondertrouw gaan, door inschrijving in een apart ondertrouwregister, opdat hun voornemen even zo vaak vanaf de kansel kon worden omgeroepen en derden de gelegenheid kregen bezwaren ertegen te opperen. Protestanten namen na de Alteratie van 1578 de ondertrouw over, maar verwierpen het idee van een huwelijk als sacrament, zodat echtscheiding bij hen mogelijk bleef. Wel kon die ondertrouw voortaan ook op het stadhuis geschieden.

Voor de meeste mensen werd de 'aantekening' het begin van de wettige relatie. Meestal handelde het paar dit alleen af, op aangewezen data, zoals Witte Donderdag in Volendam. Op het platteland was het gebruikelijk dat jongeren de avond ervoor bij het aanstaande paar langskwamen voor het traditionele bruidsbier, boxenbier, verschoolbier of schootbier, waarmee de bruid als het ware werd vrijgekocht van de gemeenschap. Ter inleiding losten de jongelingen geweerschoten, een gebruik dat vroeger algemeen schijnt te zijn geweest, maar alleen is vastgelegd voor Brabant en de oostelijke provincies. In Brabant heette dit 'losschieten', in de oostelijke provincies, waar het trouwens na de terugkeer van het paar van het stadhuis plaatsvond, 'bokseschieten'. Die traktatie op bruidsbier gold als dure plicht. Nog in 1956 is in Vessem, Noord-Brabant, bij een bruidegom die weigerde na het losschieten op bier te trakteren, de boel kort en klein geslagen.

 

trouwen2


Het 'in statie' zitten van de bruid onder de bruidskroon, een vroege vorm van de huidige receptie waarbij alleen de bruid in de belangstelling stond. Uit: Jacob Cats, Houwelick ... 1625. 


Na de aantekening begonnen de bruidsdagen, die vooral werden gevierd door rijke stedelingen en bemiddelde boeren. Onder de eersten bestond de gewoonte om op de eerste zondag na de aantekening - als het voorgenomen huwelijk van de preekstoel was afgeroepen - wederom een receptie te houden. Kinderen kregen daarbij de befaamde bruidssuikers en volwassenen bruidstranen of hipocras, een kruidenwijn. De benaming bruidstranen verwijst naar de tranen die de bruid werd geacht te plengen, want dat zij huilde vond men gepast. Tijdens de receptie zat de bruid samen met enkele vrouwelijke verwanten 'in staatsie' onder een bruidskroon, die de Romeinen al kenden. De bruid werd aldus 'te prijk' gezet. Buren en familieleden kwamen haar bewonderen en van een afstand gelukwensen, maar aan de bruidegom werd nauwelijks aandacht besteed. Die liep vrij rond en rookte uit een lange versierde pijp, een traditionele gift van zijn bruid, die op het platteland tot in de twintigste eeuw voorkwam.

Halverwege de achttiende eeuw schijnt aan dit openbare statiezitten van de aanstaande bruid een eind te zijn gekomen. Van toen af ging het bruidspaar samen recipiëren. Eerst zaten man en vrouw naast elkaar, omgeven door vrouwelijke verwanten; later kwamen de wederzijdse ouders daarvoor in de plaats, en op een gegeven moment ging dit gezelschap staan om de gasten, die zich in een rij opstelden, een voor een de hand te schudden - de moderne receptievorm. 

Ondertrouwrecepties zijn gehouden tot na de laatste wereldoorlog, weet Amy Groskamp - ten Have te melden, die er nog regels voor geeft. De bruidsdagen zullen niet veel langer betekenis hebben behouden, behalve de avond vóór het huwelijk, die een lange geschiedenis heeft.

 

Bachelorparty 

 

De burgerij placht op de avond voor een huwelijk thuis een partijtje te organiseren voor vrienden van het paar, waarbij takken van de maagdenpalm werden gevlochten om als versiering tijdens het bruiloftsfeest te dienen, het zogenaamde palmknopen. Bruid en bruidegom namen op die manier afscheid van hun vrijgezellenbestaan en degenen die nog niet zo ver waren kregen gelegenheid om het gezegde 'van een huwelijk komt een huwelijk' inhoud te geven. Maar met de verpreutsing in de achttiende eeuw werden die avondjes gesplitst in een 'adieu jeune fille' voor meisjes en een 'adieu garçon' voor jongens.

trouwen22

Palmknoopen, door Bernard Picart (1732), een vrijgezellenavond onder regenten. (Atlas van Stolk)


Het adieu garçon werd begin twintigste eeuw door vrijmoedige jongeren (studenten, soldaten) omgevormd tot bokkenavond, die op initiatief van de vrienden tot stand kwam, met als plaats van handeling de stamkroeg.  Afscheid van het ongebonden bestaan vormde de leidraad; de vriendenkring verloor een lid aan een vrouw en dat moest herdacht worden. In de burgerlijke jaren vijftig raakten de bokkenavonden nagenoeg in de vergetelheid: voor iedereen gold toen de huwelijkse staat als de hoogste staat. Maar in de jaren zeventig begon een opleving, nu vaak onder de benaming hengstenbal. Terwijl het huwelijk steeds minder een keurslijf oplegde, werd de stap daarnaartoe als des te drastischer voorgesteld - bij wijze van bezwering, of van verlokking? De stamkroeg voldeed als decor niet langer en tijdens het verrassingsreisje voor de bruidegom was uniforme kledij gewenst. In Amsterdam, dat op een internationale site te boek staat als tweede beste bestemming ter wereld voor een bachelor party, kan men in het nachtleven tientallen uitbundige jongemannen uit de provincie signaleren, bijvoorbeeld terwijl ze naar een stripteasetent lopen met slechts een luier aan.

 

bachelors

Hollywood ontdekte de Bachelor Party in 1984. Ervaringsdeskundigen melden dat de gebeurtenissen daarin braver zijn dan in het echt.  

 

Het adieu jeune fille bleef lang een huiselijke aangelegenheid. In sommige kringen werd hiervan een brideshower of kitchenshower gemaakt, een Amerikaans gebruik uit de late negentiende eeuw om de bruid te voorzien van keukengerei, nodig om de liefde van de man, die door de maag gaat, te prikkelen. Volgens Amerikanen was de reden van het ontstaan dat steeds meer bruiden geen uitzet van thuis meekregen, omdat ze zelf gingen bepalen met wie ze trouwden. Het voorbeeld ertoe zou nota bene Nederland hebbne geleverd, waar al in de zeventiende zulke bijeenkomsten voorkwamen. Dit zou in elk geval stroken met de waarneming dat in Nederland al vroeg de vrije huwelijkskeuze kende. Omdat keukenspullen tegenwoordig nauwelijks iets hoeven kosten zullen er nog weinig kitchenshowers worden gehouden. Integendeel, als uitvloeisel van de Tweede Feministische Golf in de jaren zeventig is er een vrouwelijk equivalent van het hengstenbal tot bloei gekomen. Restaurants die gerechten in de vorm van geslachtsdelen serveren danken hier tegenwoordig veel omzet aan. Vanwege de seksuele gelijkschakeling heten zulke avondjes nu zowel voor meisjes als voor jongens vrijgezellenfeest of bachelorparty. Ook het thema is identiek: een laatste kans om nog eens uit de ban te springen.   

 

Burgerlijk huwelijk


Het burgerlijk huwelijk is zoals gezegd in 1795 ingesteld. Na de invoering van de Code Civil in 1804 werd dat ook de enige huwelijksvorm met rechtsgeldigheid. Toch kon deze vorm niet direct op veel aandacht rekenen. Voor katholieken is dat makkelijk te begrijpen. Zij waren tijdens de Republiek al gewend aan een dubbele ceremonie, omdat hun trouwbeloften moesten worden bevestigd door een magistraat of een predikant. De ware huwelijkssluiting vond in hun ogen uiteraard voor het altaar plaats en de nieuwe formaliteiten op het stadhuis golden slechts als een tussenstop, die niet eens op dezelfde dag hoefde plaats te vinden. Zo waren er na de Tweede Wereldoorlog nogal wat katholieke stelletjes die alvast voor de wet trouwden, omdat ze zich dan voor een huis konden inschrijven, maar pas jaren later gingen samenwonen, nadat een priester de zegen over hen had uitgesproken.

Ook voor bemiddelde protestanten was het burgerlijk huwelijk van weinig belang. Vòòr 1795, toen een wettig huwelijk ook door een predikant kon worden gesloten, hadden zij niets op het stadhuis te zoeken, en nadien liepen zij er even langs op weg naar de kerk. Onbemiddelde protestanten daarentegen lieten van toen af de kerkelijke bevestiging vaak achterwege, vanwege de extra kosten die dat met zich meebracht. Zij vierden de ondertrouw, hielden kort daarop een bruiloft en gingen later zonder veel omhaal hun boterbriefje ophalen. Boerenknechten en arbeiders beperkten zich veelal tot dat boterbriefje, omdat zij anders geen recht op bedeling en woonruimte hadden.

 

trouwen40


Burgerlijke huwelijken kunnen sinds 2000 ook buiten het Gemeentehuis worden gesloten, bijvoorbeeld op de middenstip van het Goffertstadion, Nijmegen juni 2001. (ANP)


Eigenlijk waren het alleen welgestelde onkerkelijken die van de gang naar het stadhuis een gebeurtenis maakten. In de negentiende eeuw was dit een verwaarloosbare groep, in de twintigste eeuw niet meer. Samen met de opkomende socialisten hebben zij het burgerlijk huwelijk steeds meer gewicht gegeven, tenslotte ook voor protestanten en katholieken, die nu in meerderheid op één dag voor wet en kerk trouwen. Ambtenaren van de Burgerlijke Stand zijn door deze ontwikkeling stilletjes gepromoveerd van notulisten tot ceremoniemeesters.

 


Bruiloftsgasten



Het huwelijksfeest was in aantocht. Welke gasten daarvoor werden uitgenodigd, was op het platteland tot in de twintigste eeuw geen vraag voor het echtpaar. In Twente en de Achterhoek namen brulfteneugers dit onderdeel voor hun rekening. Versierde meisjes of jongens liepen langs de huizen; iedereen wist hoe of wat, maar er werd net gedaan of het nieuws nog onbekend was. 'Goen dag!' zeiden de brulfteneugers in Borculo. 'Hier stoa ik op mienen staf. En weet niet wat ik zeggen mag... Nóu weet ik, wat ik zeggen mag' en op rijm werden vervolgens alle details verschaft.

 

brulfteneugers


'Brulfteneugers' in Twente, door Hendrik Valkenburg, eind 19de eeuw. (OLM Arnhem)


De stedelijke burgerij gaf daarentegen al sinds de achttiende eeuw kennis van een voorgenomen huwelijk via een trouwkaart, die inmiddels voor iedereen standaard is geworden. Daarmee kon een stille selectie worden toegepast. Tot een halve eeuw geleden waren het steevast de ouders die de eer en het genoegen hadden het voorgenomen huwelijk van hun zoon of dochter aan te kondigen. Tegenwoordig doen die zoon en dochter dat veelal zelf, eventueel 'mede namens wederzijdse ouders'. Hoe futiel ook, dit was voor het paar in kwestie steeds een stap die moed vergde, en waarschijnlijk danken we daaraan de verschijning van de alternatieve trouwkaart in de jaren zeventig: door een artistieke vorm te kiezen konden paartjes de wederzijdse ouders makkelijk afleiden van het feit dat zij niet werden vermeld.

trouwen24

  

Aankondiging van een huwelijk door de wederzijdse ouders, op Oudhollands papier. Deze vorm was nagenoeg verdwenen maar is nu weer in opkomst.


Ondanks de selectie door middel van trouwkaarten waren de bruiloftsgasten niet gering in aantal. Minimaal de kennissenkring en de hele familie, tot aan de achterneven en -nichten toe, was onder de burgerij gebruikelijk; op het platteland kwam daar nog de hele buurt bij. Weliswaar kende de aristocratie al in de achttiende eeuw het verschijnsel 'in stilte trouwen', waarbij bruid en bruidegom alleen en in doordeweekse kleren naar de kerk gingen, maar de burgerij verfoeide dit.

trouwen25


Aankondiging van een huwelijk door het paar zelf.


Immers, een huwelijk gold tot in recente etiquetteboeken als een 'maatschappelijke gebeurtenis'. Er wordt in die boeken wel begrip getoond voor de (vanzelfsprekend veronderstelde) wens van het paar in kleine kring en zonder opsmuk te trouwen, maar desondanks hoorde het paar de wens van de familie uit te voeren en zich het hele voorgeschreven ritueel te laten aanleunen. Welnu, met de kennis van alledag weten we dat inmiddels de bruid en de bruidegom bepalen wie er op hun feest verschijnen, wat in de praktijk betekent dat het aantal aanwezige familieleden en buren danig is teruggebracht.

Op het platteland is deze reductie moeilijker te bewerkstelligen geweest. De welvaartsstijging van de twintigste eeuw maakte het juist mogelijk dat er méér gasten op een bruiloft verschenen. Twente en de Achterhoek leerden het fenomeen monsterbruiloft kennen. Op boerenbruiloften daar werden altijd al veel mensen ontvangen, maar door de verdichting van de bebouwing, waardoor iedereen meer naburen kreeg, en door de verbeterde reismogelijkheden die verre vrienden en verwanten naderbij brachten, nam het aantal potentiële gasten steeds toe.

Van een besloten receptie, de aangewezen oplossing bij een surplus aan gasten, wilde men niet weten; het moest een heus feest blijven. Veel gasten betekende trouwens veel aanzien en er ontbrandde een ware prestigeslag, die zich tot over de steden verspreidde. Op het hoogtepunt ervan schijnen op het platteland gemiddeld vijfhonderd bezoekers per huwelijk aanwezig te zijn geweest. Als de nummers een en twee op de ranglijst worden genoemd: Geesteren 1920: 1000 gasten, Neede 1953: 900 gasten. Hoewel bij zulke bruiloften de bezoekers geen cadeaus maar geld schonken om de kosten te drukken, werden paartjes voor jaren in de schulden ondergedompeld. Bij hen begon het animo ervoor dan ook het eerst te verminderen. De sociale druk ertoe was echter groot, men sprak van 'bruiloftsdwang'. In 1966 hebben jongelingen in de buurtschap Dichteren bij Doetinchem op een boerderij een complete ravage aangericht, omdat zij tegen de lokale regels in niet op een huwelijksfeest waren uitgenodigd.

 

trouwen26


Boerenbruiloft door Bing en Braet von Ueberfelt, 1857. De bruid-loop als centraal onderdeel van de plechtigheid. De bruid loopt hier rechts, wat betekent dat de stoet op weg naar de huwelijkssluiting is. (UB Amsterdam)


Standsorganisaties hebben geholpen dit soort excessen te bestrijden door de nabuurschappen opnieuw in te delen, met minder verplichte gasten tot gevolg. Een goede strategie voor het echtpaar was de bruiloft te verplaatsen van de boerderij naar een café, liefst buiten de buurt, waardoor er fysieke grenzen aan het aantal aanwezigen werden gesteld (ook al zijn de cafézalen nergens zo groot als in Twente en de Achterhoek). Het afnemende belang van het nabuurschap, vanwege de opkomst van de verzorgingsstaat, en de toestroom van westerlingen naar deze gebieden hebben ook invloed gehad. Toch zijn er in Twente en de Achterhoek nog steeds bruiloften van twee- à driehonderd man, dubbel zoveel als elders, al gaat het hierbij volgens de sociologe Ineke Baas eerder om gezocht streekeigen dan om een opgelegde levensvorm. In elk geval betalen de bezoekers nu zo ruimhartig dat een bruidspaar niet meer op het feest hoeft toe te leggen.

 

Trouwkleding

 

Ergens in de negentiende eeuw begon zich een internationale mode voor bruid en bruidegom aan te dienen. Engeland fungeerde hiervoor als hoofdleverancier, allereerst met betrekking tot mannen. Dandy's liepen al in 1800 door Londen met op hun hoofd een top hat, een hoge hoed bekleed met zwarte zijde, en die werd samengebracht met het zwarte jacquet dat iets later ontstond. Hoe formeel een jacquet ook lijkt, het was een informele uitgave van een geklede jas waarvoor ten behoeve van het paardrijden de voorpanden schuin naar achteren wegliepen. Halverwege de eeuw kwam hieruit de rok voort, die met overdwars weggeknipte voorpanden nog chiquer werd geacht en alleen voor de avonden diende. Omdat mannenkleding toch al zwart was, sloeg de combinatie van een jacquet met hoge hoed onmiddellijk aan, ook op het Nederlandse platteland, zoals de Boerenbruiloft van Bing en Braet von Ueberfeldt uit 1857 laat zien. De hoge hoed is mettertijd wel kleiner geworden, maar nooit in onbruik geraakt. Sinds 1960 ongeveer grijpen bruidegoms soms naar een frivolere variant, de grijze Ascot.

Voor vrouwen begon de internationale mode aanmerkelijk later. De meeste bruiden trouwden van oudsher in een zelfgemaakte, donkere jurk met sjaal, die later dienst deed bij plechtigheden en feesten. Een zwarte bruidsjurk had het voordeel dat zij ook als doodsjurk kon dienen. De ommekeer naar een witte bruidsjurk, die eenmalig werd gedragen, begon vroeg in de negentiende eeuw. Franse en Engelse modebladen gaven rond 1815 de eerste voorbeelden ervan, maar trendsetting was toen nog een koninklijke voorrecht. In 1840 droeg queen Victoria een wit exemplaar bij haar huwelijk met Albert van Saksen-Coburg, waarbij tevens een verhaal de wereld inging alsof het haar autonome keuze was: ze hield van wit, ze zou zelfs in het wit worden begraven, en die kleur stond voor maagdelijkheid en welvaart. Bij haar jurk hoorde een kanten sluier, die in bijna alle godsdiensten tijdens de huwelijksceremonie voor een vrouw gebruikelijk is. Het is niet bekend of Victoria na haar jawoord haar sluier oplichtte om een zoen van haar man te ontvangen, maar die traditie bestond al in het oude Rome.

 

pietdewit1904

Nederlandse welgestelden pikten de witte bruidsmode vroeg op: huwelijksfoto uit 1904 van de Helmondse textielfabrikant Piet de Wit en zijn bruid Anna Arts. Piet de Wit draagt wel een rok in plaats van een jacquet, maar dat geeft waarschijnlijk aan dat hij reeds voor de avond is gekleed. (Erven Cor de Vries)

 

Op zijn beurt zorgde volgens het officiële verhaal prins Albert bij die gelegenheid voor een andere primeur: het bruidsboeket, dat hij Victoria bij het afhalen schonk. Hij zal niet vermoed hebben dat een boeketje sneeuwklokjes, witte anjers of oranjebloesem de hele wereld zou veroveren en een andere huwelijksgift van de bruidegom verdrong: de corbeille of bruidsmand, die gevuld was met damesaccessoires. Uit het Engeland van Queen Victoria stamt tevens de folklore rondom het bruidsboeket: de bruid die op enig moment dat bloemstukje over haar rechterschouder tussen ongetrouwde meisjes werpt, waarna de vangster als volgende bruid te boek staat.

In wezen was dit een variant op een gebruik voor mannen dat al sinds de veertiende eeuw bestond met betrekking tot de kousenband van de bruid - tot voor kort gespeld als kouseband, wat beter aangaf dat het om een enkele band ging. Kousenbanden moesten letterlijk kousen ophouden, en dat de bruidegom er eentje toonde diende aanvankelijk als bewijs voor echtelijke consumptie. Later werd er een trofee voor vrijgezelle mannen van gemaakt, niet zozeer om de eerstvolgende bruidegom onder hen aan te wijzen alswel om hun jachtinstinct tijdens het huwelijksfeest aan te wakkeren. In hun bijzijn stroopte de bruidegom de kousenband van haar been af, bij voorkeur met de tanden om het tafereel zo sexy mogelijk te maken, en vervolgens gooide hij de band op dezelfde wijze weg als de bruid deed met haar bruidsboeket. De kleur ervan was meestal blauw, om de trouw van de bruid aan te duiden. In de Angelsaksische wereld is zo'n garter toss nog mateloos populair, getuige talloze filmpjes op You Tube. Ook in striptease-acts vormt de kousenband tot op heden een onmisbaar attribuut. In hoeverre die band in de Nederlandse huwelijksetiquette is doorgedrongen, is echter onbekend. Op grote bruiloften in Twente en de Achterhoek werd er vijftig jaar geleden nog mee gegooid, en ook uit Limburg zijn er meldingen, maar inmiddels beperken de meeste Nederlandse stellen zich tot het bruidsboeket. 

 

kousenband

Hoewel de kousenband in Nederland vrij obscuur is, adverteren Nederlandse internetsites er open en bloot mee. Dit meisje draagt de kousenband rechts, wat correct is, al bestaan er voorstanders van links, omdat die kant dichterbij het hart zit. Overigens lijkt het meisje slechts te mijmeren over haar huwelijksdag, want de kousenband is dan juist het eerste kledingstuk dat uitgaat. www.tiptopsjop.nl   

 

De witte bruidsjurk van Queen Victoria kreeg tien jaar later een spectaculair vervolg bij Keizerin Sisi in Wenen, waarmee een mode was geboren. Toch zou het lang duren voordat deze dracht in Nederland algemeen was; naar verluidt zelfs tot 1920, onder boeren nog later. Zuiver wit werd geacht vrouwen slecht af te kleden, niet onbegrijpelijk daar velen van hen expres uit de zon bleven om zo blank mogelijk te zijn. Bonbon-achtige ensembles voldeden beter aan de smaak. Voor de meeste mensen gold echter de eenmaligheid van een aparte trouwjurk als grootste bezwaar, al kon het kant worden gebruikt om een wieg mee te bekleden. De welvaartsmaatschappij van na de Tweede Wereldoorlog besliste uiteindelijk ten gunste van de witte dracht. Sindsdien bestaan er ook speciale bruidswinkels en -beurzen voor trouwlustigen. Alleen gedurende de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw was een wit bruidje minder in tel, maar dat was tevens de tijd dat haar bruidegom een bruine corduroypak droeg om niet burgerlijk te lijken, - wat hij achteraf ook niet deed: kleinburgerlijk is een juistere term.

 

Bruiloft


Het woord bruiloft is ontleend aan bruid-loop, de tocht die de bruid vanuit haar ouderlijk huis naar dat van haar toekomstige echtgenoot maakte. In veel provincies heeft de bruidloop tot aan de Tweede Wereldoorlog gefunctioneerd. Ter accentuering van het gebeuren vond er gechicaneer plaats. In Midden-Brabant, zo meldt August Sassen, kwam de bruidegom nog halverwege de negentiende eeuw met een zogenaamde speelbruid aanzetten, zijnde het meisje van wie hij het meest hield na zijn toekomstige bruid. Dat meisje vroeg in het huis van de bruid plechtig: 'Is den bruidegom u aangenaam? Anders neem ik hem op mijnen naam'. De bruid hoorde dan te antwoorden: 'Ja, hij is mij aangenaam.'  

In de oostelijke provincies reed de bruidegom op de afgesproken dag met een aantal versierde wagens vol jongelui naar het adres van het meisje. Alle luiken en deuren waren bij haar thuis gesloten, alsof iedereen nog sliep. Een van de jongelui vroeg, waarom ze hier naar toe waren gegaan, wat de 'begeerte' was, en daarop trad de 'broedneuger', niet de bruidegom zelf, naar voren:

Vroege ij noa mien begeerte,
Vroege ij wat ik hier wil,
'k zal 't jou doon verstoan.
Wees moar een weinig stil.
Wie kommen op dit pas,
Om hier een broed te hoalen,
Veur dieze brudegom,
Dat zel ik jou verhoalen...

Nadat de bruid was opgeëist, werd de grote deeldeur van binnenuit geopend. Soms volgde er een schijngevecht met de familie van de bruid; soms verstopte de bruid zich en moest de bruidegom haar gaan zoeken. Na enige versnaperingen klom het paar op een van de wagens, de uitzet van de bruid werd opgeladen en in optocht ging men naar het huis van de bruidegom. Dit heette 'heemgeleide'. Onderweg stuitte men regelmatig op versperringen als een balk of een draad, aangebracht door dorpsgenoten, die met een traktatie konden worden afgekocht.

 

kerkstoet


Een katholieke bruidsstoet, overblijfsel van de bruidloop, met de weggevende vader naast de bruid. Protestanten kennen deze rol van de vader niet; bruid en bruidegom lopen bij hen gearmd de kerk in. Dankzij Hollywood is het tegenwoordig ook in Nederland niet vreemd wanneer de bruidegom zijn bruid bij het altaar opwacht. (Levenskunst, 1962) 


Aangekomen op het erf van de bruidegom werd er eerst driemaal om het huis heengereden. Had het huis een lijkdeur, dan ging het paar daardoor naar binnen. De bruid, maar soms ook de bruidegom, werd over de drempel gedragen óf zij sprongen er gezamenlijk overheen; de zielen van de afgestorvenen bevonden zich immers onder die drempel en die mochten niet worden gestoord. Daarna werd de bruid plechtig rondgeleid. 'Dit is het bed', zei men; 'dit is de kast', 'dit is de klok'. Ook werd zij driemaal rond de ketelhaak van de haard gevoerd, net als nieuw personeel, onder de begeleidende woorden: 'Ik haal u in den naam des Heren, wat ge niet kent, zullen wij u wel leren'.

 

trouwen27


Hèt huwelijk van de 20ste eeuw: Rob Stolk en zijn bruid op de fiets naar het stadhuis in 1965, startsein voor alternatieve bruiloftsvieringen. (Nationaal Foto-Persbureau)


Bij de stadse burgerij was een 'bruidloop' om praktische redenen niet mogelijk. Notabelen hielden zelfs niet van het het woord bruiloft, omdat dat boerse associaties gaf; zij spraken liever van huwelijk. Toch kenden zij een  abstracte uitvoering van de bruidloop, de bruidsstoet. Deze werd geformeerd op het kerkplein en had voor katholieken en protestanten een ander draaiboek. Bij katholieken was het gebruik dat de vader van de bruid haar symbolisch weggaf; zij liepen getweeën vooraan en daarna volgden de bruidegom en zijn moeder. Bij protestanten liep het bruidspaar samen naar het altaar - met de bruid rechts van de bruidegom; na de huwelijksvoltrekking was dat links. De situatie dat de bruidegom bij het altaar wacht en de bruid door haar vader naar hem wordt toegeleid, niet ongebruikelijk inmiddels in Nederland, is overeenkomstig de Angelsaskisische traditie zoals weergegeven in Hollywood-films. Ook het verlaten van de kerk geschiedde ordelijk. Eventuele bruidsmeisjes en - jonkers, die bij het naar binnengaan de stoet openden, kwamen dan na het bruidspaar om aan te geven dat het paar voortaan zelfstandig was, en dan kwam de directe familie. Buiten volgde de regen van rijst, wat de oude Romeinen al deden. Maar de bruidsstoet kon nooit langer intact blijven dan het kerkplein toestond.

 

trouwfoto2 

Informeel huwelijk d.d. 25 september 1975, Gemeentehuis Amsterdam. Geen witte bruidsjurk voor het bruidje en een bruin corduroypak voor de bruidegom, die links van haar staat terwijl de traditie rechts voorschrijft (opdat hij aanvallers beter kan afweren en zijn bruidje aan de kant van zijn hart heeft).


Al met al is het burgerlijk bruiloftsmodel zeer sterk gebleken. In tijdschriften over trouwen wordt dit model met al zijn parafernalia ook nog steeds als droom voorgespiegeld. De variaties die mensen er in aanbrengen zijn vooral variaties in prijs. Toch wordt er ook nog op alternatieve wijze getrouwd. In 1965 baarde provo Rob Stolk opzien door met zijn bruid op een witte fiets naar het stadhuis te rijden, en dat was het startsein voor paartjes die per step, op rolschaatsen, op een motor of in een two-seater naar de plechtigheid gingen - allemaal schijnbewegingen om de aanwezigheid van de ouders niet te laten overheersen en een informele sfeer te creëren. Maar ook de plechtstatigheid van een burgerlijke bruiloft is gaandeweg verminderd. Wanneer men tegenwoordig over de bruiloft spreekt, wordt eigenlijk het trouwfeest bedoeld...

 

Trouwfeest


In de organisatie van bruiloftsfeesten vervulden vroeger niet zoals nu trouwe vrienden en favoriete familieleden de hoofdrol maar buren; voor hun hulp kregen zij later een 'nabruiloft' aangeboden. Merkwaardig was de grote vrijheid die de gasten bezaten. Zij konden net als bij een geboorte de linnenkast van de vrouw opentrekken en de bezittingen van de man nalopen. De bruid verkleedde zich soms een paar keer om te laten zien wat ze allemaal had. Ook vielen er om de haverklap buitenstaanders binnen die om een consumptie vroegen: huilbier voor de volwassenen en snoepgoed voor de kinderen. In Limburg verscheen Vader Aartje, een ouderwets gekleed personage, dat begeleid door een troep kinderen grappen uithaalde en een plaats aan de feestdis wist af te dwingen.

 

kruysen1.jpg

Andermaal een bruidloop (= bruiloft), voor boeren vroeger het meest tot de verbeelding sprekende facet van een huwelijkssluiting. Brabant, jaren dertig van de twintigste eeuw. Kennelijk was het aantal deelnemers niet altijd omvangrijk. Antoon Kruysen, www.kunsthandelgroenland.nl  



Maar het meest merkwaardige was het slot van de avond. Dan nam wat Huizinga noemt 'de schaamteloze publiciteit van de eerste huwelijksnacht' een aanvang. Tijdens het dansen werd de bruid plotseling door de jongelui vastgegrepen en naar het bruidsvertrek gesleept. De bruid werd beroofd van eventuele sluier, kroontje en kousenband, ware trofeeën voor wie ze kon bemachtigen. De bruidegom werd pas na allerlei gekheid binnengelaten. Wanneer bruid en bruidegom in bed lagen, ging in de kamer ernaast het feest gewoon door, waarbij herhaaldelijk invallen bij het paar werden gedaan. 's Anderendaags overhandigde de jongeman een morgengave aan zijn jonge vrouw, een herinnering aan de bruidsprijs die onder de adel gangbaar is geweest en die de vrouw zekerheid verschafte in een tijd dat het huwelijk in gemeenschap van goederen nog niet bestond. En weer draafden de buren op, met tussenpozen, tot aan het eind van de wittebroodsweken, of glitterweken (Flitterwochen) zoals de Duitsers zeggen.

Op het platteland en onder arbeiders zijn zulke pesterijtjes nog tijden doorgegaan. Dertig jaar geleden beschikte men in het zwaar gereformeerde gedeelte van de Veluwe op dit vlak over het volgende arsenaal: bed op scherp stellen, rijst in bed, bonen in bed, pyjama's dichtnaaien, roet in de slaapkamer, geit in de slaapkamer, kinderwagen op de schoorsteen, tandpasta op de wc-bril en een blokje bouillon in de douchekop. Ook tijdens de monsterbruiloften in de oostelijke provincies zijn pesterijtjes nog aan de orde gebleven. Aan het slot van het feest worden bruid en bruidegom in de lucht op stoelen rondgedragen door de zaal, waarbij men op de wijs van 'Alle eendjes zwemmen in het water' zingt: 'Bruigom durft zijn bruidje niet te kussen', met schijnbewegingen en al. Als het even kan wordt ook het bed van het paar op scherp gesteld of op een sirene aangesloten.

De stadse burgerij heeft aan dit soort uitingen bij zichzelf al vroeg een eind gemaakt. Een beperkt aantal gasten en een druk programma verminderden direct de kans op ongepastheden. Dat begon al bij aankomst in de feestzaal: het aansnijden van de bruidstaart, die een nog niet zo lange geschiedenis kent. In dat verband moet wederom Queen Victoria worden genoemd. Haar eigen huwelijk werd opgesierd door een taart van honderdvijftig kilo en èèn meter in doorsnede, baktechnisch gesproken het maximum. Voor het huwelijk van haar oudste dochter in 1858 ging ze daarom de hoogte in: een gevaarte met drie etages, een zogenaamde plateau-taart. Eetbaar was deze taart nog niet, zij diende ter versiering. De eerste moderne bruidstaart, inclusief het samen aansnijden en het bewaren van de cake topper als bescherming tegen de dreigende gevaren van het eerste huwelijksjaar, werd gelanceerd bij het huwelijk van haar zoon prins Leopold in 1882.

 

bruidstaart 

Bruidstaart Queen Elisabeth 1947, drie meter hoog. In Engeland worden zelfs tentoonstellingen van bruidstaarten gehouden.

  

 

De Engelse bruidstaart zou een mondiaal verschijnsel worden. In 1901 kregen koningin Wilhelmina en prins Hendrik er een bij hun huwelijk. Een halve eeuw later was de taart in heel Nederland bekend. Een aparte bijdrage verzorgde de Verenigde Staten: een bruidspaartje op de top, een mode sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw. De opvatting dat ongetrouwde vrouwen mogen dromen van een toekomstige echtgenoot als zij een stukje taart onder hun kussen leggen, is daarentegen weer Engels.

 

bruidspaar

Bruidspaarbeeldje voor bovenop de bruidstaart, in de jaren vijftig opgekomen in de Verenigde Staten. In Nederland zijn als wedding cake topper klassieke paartjes het meest gangbaar, in de VS inmiddels grappige paartjes. www.oranjediscounter.nl   

 

Ook een huwelijksdiner met meerdere gangen biedt een garantie voor een orderlijk verloop. In recente Amerikaanse films wordt dat diner en en zelfs de hele huwelijkssluiting vooraf geoefend, om niet voor onaangename verrassingen te komen staan. Althans het proefdiner is in Nederland al meedere malen gesignaleerd.

Het slot van het feest staat eveneens onder toenemende regie. In de zeventiende eeuw was het al gebruik dat rijke jongelingen een Grand Tour door Europa maakten. In de negentiende eeuw vloeide hier de huwelijksreis uit voort. Deze tendens werd wel gefaciliteerd zo niet gecreëerd door de spoorwegen, die binnen enkele decennia het hele Europese continent openlegden, zodat tientallen kuuroorden en badplaatsen tot bloei kwamen. Engelsen bezitten voor de huwelijksreis een aparte term: honeymoon, oftewel: honingmaan(d). Romaanse landen hanteren daar een letterlijke vertaling van, want de Engelsen gelden internationaal als de uitvinders van het fenomeen. In Nederland spreken we al sinds de zeventiende eeuw van wittebroodsweken, of zoals de dichter P.C. Hooft formuleerde: 'wittebrood nieubacken weecken'. Daarmee wordt gedoeld op een periode van zes weken waarin luxe witbrood ter tafel komt en schuldeisers zich afzijdig plachten te houden, wat niet hetzelfde is als een huwelijksreis. Waarom Nederland hier een eigen accent volgde, kan met een ander huwelijksritueel te maken hebben. Ter Gouw meldt dat er vroeger vaak nafeesten werden gehouden, ook door buren bij wijze van dankbetuiging, wat erop duidt dat pasgetrouwden thuis dienden te blijven. In Engeland daarentegen ging de adel na een huwelijk verre verwanten opzoeken, waarvoor al in de zestiende eeuw de term 'honeymoon' in gebruik was.

Hoewel menig publicist er een devaluatie van het oude bruiloftfeest in zag, raakte de huwelijksreis onder gegoede Nederlanders  eveneens in zwang. De rijke anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846 - 1919) bijvoorbeeld trouwde vier keer en ging even zo vaak op huwelijksreis. Voor de grote massa kwam zo'n reis echter pas na de Tweede Wereldoorlog binnen bereik, vrijwel tegelijk met de auto als ideaal vervoermiddel voor het bruidspaar om op het hoogtepunt van het feest weg te glippen. Maar dat lukte niet altijd. Jongeren die pasgetrouwden wilden pesten hingen lawaaimakend blik aan achterbumpers op en soms ook oude schoenen, een raadselachtig element voor een trouwpartij.

 

trouwen29

18de eeuwse voorstelling van het naar bed brengen van een bruid, naar R. Brakenburgh. (OLM Arnhem)

 

Oude schoenen onder een auto binden schijnt in Engeland te zijn begonnen en via Amerikaanse films bekend te zijn geraakt. In Nederland gebeurt het zelden, maar toch zit het in ieders hoofd. Raadselachtig is het gebruik wel. In de bijbel staan schoenen onmiskenbaar voor onreinheid. 'Op Edom zal ik mijn schoen werpen', aldus een strofe in een psalm, wat impliceert dat Edom een onrein gebied is. Onder moslims geldt het gooien van schoenen naar iemand zelfs als de ultieme belediging. Misschien vanwege hun gelijkenis met een bootje of vanwege een Freudiaanse associatie kregen schoenen onder christenen juist de symbolische betekenis van geluksbrenger. Getuigen daarvan zijn de klompjes en schoentjes die de toeristenindustrie te koop aanbiedt, maar bijvoorbeeld ook de miniatuurschoentjes naast borden die in Frankrijk bij diners iemands naamkaartje bevatten. Dit zijn dan nog nieuwe exemplaren, geen afgetrapte, zoals bij een huwelijk te pas komen. Misschien is de redenering geweest dat oude schoenen tenminste al geluk gebracht hadden, dus een verzekering konden bieden. In Amerika worden zelfs oude Nikes ter herinnering of tot troost in de publieke ruimte opgehangen. Naar verluidt zijn in Nederland vroeger wel oude schoenen gegooid naar mensen die op reis gingen, maar dat is in onbruik gebraakt. Alleen via Amerikaanse films denkt iedere Nederlander dat ze nog bij een huwelijk horen.   

 

Van LAT-relatie tot Marry me again

 

Het mag al met al wel verbazen waarom mensen nog huwelijken sluiten. De kosten ervan zijn niet gering: gemiddeld belopen die 12.000 euro. Tot 1970, althans volgens etiquettedeskundige Beatrijs Ritsema, was het in de burgerij gebruikelijk dat de ouders van de bruid het hele trouwfeest voor hun rekening namen: van volgauto's tot en met diner, inclusief de vaak peperdure bruidsjurk. De bruidegom hoefde slechts de formaliteiten bij de gemeente en de kerk te betalen, samen met de trouwkaarten en het bruidsboeket. Deze verdeling zou samenhangen met de aloude bruidsschat die in adellijke kringen tot in de zeventiende eeuw gangbaar is geweest en uit de antieke tijd stamt. Door middel van een bruidsschat - niet te verwarren met de bruidsprijs die moslims hanteren - konden ouders hun dochter voor haar zekerheid bezittingen meegeven, want trouwen in gemeenschap van goederen was toen nog onbekend. Van de bruidsschat bleven nadien over: de uitzet en het trouwfeest. Zolang huwelijken nog een hechte band tussen twee families smeedden, waren de ouders van de bruid graag bereid daarvoor op te draaien, maar inmiddels is hun bijdrage een punt van onderhandeling geworden, wat in de meeste gevallen betekent dat het echtpaar zelf een flink bedrag zal moeten ophoesten.

Gratis trouwen is intussen ook een mogelijkheid. Iedere gemeente met tienduizend inwoners opent daartoe twee keer per week haar burelen, meestal op maandag- en dinsdagochtend. Wisselend per gemeente gaat tien tot twintig procent van de stelletjes op dit aanbod in, maar meer niet.  

Een mondain alternatief voor trouwen biedt de LAT-relatie. Internationaal iconisch paar voor dit Living Apart Together zijn ongetwijfeld de Franse schrijvers Jean Paul Sartre en Simone de Beauvoir, die gescheiden leefden maar zo'n sterke onderlinge band voelden dat zij nu op Père-Lachaise in Parijs een graf delen. Aan de term LAT-relatie, die ook in Engelstalige landen is geaccepteerd, kleeft overigens een Nederlands tintje, want het is de HP-journalist Michiel Berkel geweest die in 1978 dit acroniem lanceerde. Zo'n relatie is vanwege de twee huishoudens die men draaiende moet houden echter wel duur, en daarom alleen geschikt voor kapitaalkrachtige lieden. Volgens de schattingen zou slechts één procent van de volwassenen binnen een dergelijk verband leven. Maar daar valt wel iets over te zeggen. Niet meegerekend zijn waarschijnlijk de talloze paren op leeftijd die adresfraude plegen en slechts officieel niet onder hetzelfde dak wonen, omdat de partners ieder de AOW voor alleenstaanden en een nabestaandenpensioen willen opstrijken. Een LAT-relatie is voor zulke mensen uiterst lucratief.

 

latrelatie

Advertentie Limburgs Dagblad, 1986. De term LAT-relatie, internationaal aanvaard acroniem voor Living Apart Together, is een vondst van de Nederlandse journalist Michiel Berkel. www.kranten.kb

 

Een andere mogelijkheid is: zonder boterbriefje samenwonen, wat vroeger hokken heette, naar het hokachtige kamertje dat de meeste stelletjes in kwestie bewoonden. Deze mogelijkheid wordt inderdaad steeds vaker gekozen. Volgens het CBS kwam samenwonen in de jaren zeventig van de vorige eeuw nog slechts bij één op de tien volwassenen voor, in de jaren negentig was dat bij zeven van de tien. Een hoog percentage van de kinderen wordt inmiddels zelfs buitenechtelijk geboren: in 1985 8 procent, in 2009 45 procent.

Het wordt hokkers ook gemakkelijk gemaakt, want via een samenlevingscontract bij een notaris, gangbaar sinds de jaren tachtig, kunnen zij alle regelingen treffen die zij wensen. In 1998 is daar het geregistreerd partnerschap of de partnerregistratie bijgekomen, dat zelfs wederzijdse adoptie van kinderen toestaat en bij ontbinding geen gang naar de rechter vergt. Toch is deze partnerregistratie in Nederland niet echt gewild: in 2012 vonden er aldus het CBS ruim 70.000 huwelijken plaats en ruim 9000 partnerregistraties. In België daarentegen vormen de laatste inmiddels de meerderheid. Dat kan twee dingen betekenen. Belgen hebben minder vrede met louter hokken, of zij bezitten een veel betere aanduiding voor deze leefvorm, namelijk: wettelijke samenwoning, wat klinkt als een positieve bekrachtiging van een bestaande relatie, terwijl partnerregistratie doet denken aan de ambtelijke beëindiging van een semi-illegale toestand.  

In Nederland blijft dus trouwen favoriet, al is niet duidelijk waarom. Antropologen bestempelen het huwelijk van oudsher als een rite de passage, een overgangsritueel waardoor mensen met andere verhoudingen en normen vertrouwd raken. Maar wat is de 'passage' van een samenwonend stel met kinderen dat na jaren alsnog in het huwelijksbootje stapt? Het enige dat zulke trouwlustigen laten weten is dat het goed met hen gaat, mocht iemand in hun omgeving daaraan twijfelen, wat hen eerder niets kon schelen. Afgezien van de lol om een feest en de bevestiging van de ouderlijke band tegenover eventuele kinderen, lijkt het niet zelden om een Theater van het Ik te gaan, een trouweratie, zoals dat in Nederlands-Indië heette.

Mogelijk speelt bij vrouwen onbewust de angst dat manlief later nog eens kinderen bij een vrouw uit een volgende generatie wil, een mogelijkheid die de natuur hem maar haar nìet biedt en waartegen een publieke trouwpartij althans een morele hindernis opwerpt. Inderdaad schijnen het vooral succesvolle mannen te zijn die meermaals huwen; rijke zakenlui, filmsterren en voetballers doen dat zelfs serieel. Of vrouwen hierin wezenlijk verschillen, valt intussen te betwijfelen. Menigeen krijgt tegenwoordig kinderen van twee of meer mannen. En recent is de opkomst van de succesvolle oudere vrouw die als cougar (poema) van een toyboy geniet, hoe onvruchtbaar zo'n relatie ook is.   

 

marrymeagain

Film uit 1953 van Frank Tashlin, waarnaar de Marry me again-beweging en het vernieuwen van de trouwbelofte verwijst..

 

Een nieuw gebruik, waartoe Hollywoodsterren het voorbeeld hebben verstrekt, speelt op deze verlatingsangst in: het vernieuwen van de trouwbelofte. Het doel ervan zou zijn een in het slop geraakt huwelijk een impuls te geven, maar in de praktijk zal de plechtigheid in de plaats komen van een koperen, zilveren, gouden of diamanten huwelijksfeest. Immers, temidden van alle echtscheidingen hebben zulke feesten iets sukkeligs gekregen; met een hernieuwde trouwbelofte wint het paar aan glamour. Er wordt naemlijk niet stil gestaan bij het verleden maar bij de toekomst, die men kennelijk nog steeds voor zich ziet. In 2005 wijdde de EO een programmareeks aan dit fenomeen, onder de titel Marry me again. Menig Bekende Nederlander heeft zich inmiddels al laten fotograferen tijdens een dergelijke ceremonie, zoals de schrijfster Heleen van Royen die enkele maanden later haar scheiding moest melden. Niettemin ligt een brede verspreiding van dit gebruik in de lijn der verwachting. Zelfs Ambtenaren van de Burgerlijke Stand worden er al voor aangezocht, hoewel zij hooguit als particulier hulp kunnen verschaffen. Wel zijn geestelijken in dit gat gedoken, die reeds tijden vlasten op manieren om huwelijksbanden te verduurzamen.         


Echtelieden


Waar vrijen en trouwen een publieke aangelegenheid was en zakelijke motieven de doorslag gaven, waren ook de verhoudingen binnen het huwelijk soms weinig liefdevol en intiem. Dat kon leiden tot de klassieke staaltjes van harteloosheid die we uit de literatuur kennen. Bijvoorbeeld: man en vrouw die elkaar met de achternaam aanspraken en die zelden of nooit samen ergens naar toe gingen en zo al, dan liep zij een paar passen achter hem aan. Of mannen uit de aristocratie die vaker buitenshuis dan thuis verbleven en openlijk een maîtresse erop nahielden. Of arbeiders die hun weekloon al hadden opgedronken voordat ze bij 'moeder de vrouw' aanschoven. En boeren die wel voor een paard maar niet voor hun echtgenote de dokter lieten roepen; die echtgenote kon per slot van rekening gratis worden vervangen.

Dit waren natuurlijk wel de extremiteiten. Maar dat gewone echtelieden weinig lol aan elkaar beleefden, laat Herman Maas in zijn roman Het goud van de Peel uit 1908 zien. Twintigjarige arbeiders en boeren, schrijft hij, veranderden na hun huwelijk in oude, wijsdoende lui. Aan kleding en uiterlijk mochten ze niet langer zorg besteden; deden zij dat toch dan werd ontrouw vermoed. Tegelijk werd onderlinge scherts als 'flauw' en 'kalerig' bestempeld. Er werd van hen verwacht dat zij met ernstige gezichten meeklaagden over de misère in de wereld, zo niet dan was er 'niks aan hen'. Voor elkaar bleven zij vreemden. Op vragen van de een gaf de ander nauwelijks antwoord en 'van de morgen tot de avond vlogen er snauwen over en weer', zonder dat dit een van beiden pijn deed, want 'dat bracht de trouw met zich mee'.


alcoholisme

Het kind van den tapper, naar Johan Braakensiek, ca 1890. Alcoholmisbruik was rond de vorige eeuwwisseling een plaag van hele buurten. (Atlas van Stolk)

 

Dergelijke huwelijken konden makkelijk ontsporen wanneer er geen economische belangen speelden en derden geen oogje in het zeil hielden. Onder boeren waren die belangen duidelijk: vrouwen waren volledig in de bedrijfsvoering opgenomen en dat zal hun positie binnen het huwelijk navenant hebben gemaakt. Daarnaast was er extern toezicht. Wie introuwde, genoot bescherming van de overige familieleden, al hoefde dat niet altijd plezierig uit te pakken, want in Limburg zei men: 'De bliksem en de introuw zijn nog niet beschreven.'

Maar ook buren konden ingrijpen. Over de Kempen van het begin van de twintigste eeuw vertelt de arts P.A. Barentsen, dat men het daar niet verdroeg wanneer echtelieden voortdurend ruzieden. Haalde een openlijke waarschuwing niets uit, dan werd de aanstichter van de ruzies door de buren voor een ploeg gespannen om de hardgetreden grond voor de boerderij, die de huiselijke vrede verbeeldde, om te ploegen. Van een dergelijke ingreep is kort voor de Tweede Wereldoorlog nog melding gemaakt. In Limburg placht men in zo'n geval een ezel van teer op de huismuren te schilderen; elders bracht men een serenade van ketelmuziek.

 

goudenhuwelijk.jpg

Penning van Gouden Huwelijk tussen Anthonie van den Berg en Marretje Kort, 19 april 1693 - 1743. Het vroegste voorbeeld van zo'n huwelijk? www.speelgoedmuseumdeventer.nl

 

Bij arbeiders in de negentiende-eeuwse steden was er van gezamenlijke economische belangen en van toezicht door derden nauwelijks sprake. De lage lonen en erbarmelijke leefomstandigheden produceerden weinig harmonie. De taferelen waartoe dat kon leiden, zijn uitgebreid beschreven door sociaal-realistische auteurs als Israël Querido en Herman Heijermans. Het was niet abnormaal dat gewone huisvaders in het weekeinde drie keer laveloos waren: op zaterdagavond, zondagmiddag en zondagavond. Zwalkende dronkelappen behoorden bij het normale straatbeeld in veel wijken. De burgerij trachtte stichtend werk te verrichten met de Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank (1842) en de Maatschappij tot Verbetering van den Werkenden Stand (1854). Maar het zouden socialistische, protestantse en katholieke vakbonden zijn die de noodzakelijke combinatie van geestelijke en materiële verheffing brachten. Vooral de honderden woningcoöperaties uit het begin van de twintigste eeuw hebben veel goeds voor het gezinsleven van arbeiders betekend.

 

zilverenhuwelijk

Glamour aan de huwelijkse staat verlenen. Zilveren huwelijkspenning uit 1775 van het echtpaar Christiaan Martsen en Johanna van Bustrop. www.hafmansantiek.nl  

 

De burgerij kende minder huwelijkse uitwassen, vanwege haar vroege cultus van huiselijkheid en familiezin. Die cultus sprak uit de geschilderde familieporttetten die al sinds de zestiende eeuw bestaan; in moderne tijden vervangen door familiefoto's. Een tafeltje of dressoir vol met familiefoto's behoort sinds mensenheugenis tot de standaarduitrusting van elk bourgeoisgezin. Familiefoto's zaten ook opgeborgen in portemonnees en portefeuilles, en het moet een kleine revolutie ingeluid hebben toen de eerste vader op kantoor een foto van zijn vrouw en kinderen te voorschijn haalde en op zijn bureau neerzette.

Aandacht voor huwelijksjubilea was tevens een uitdrukking van deze cultus. Vorstenhuizen herdachten zilveren en koperen bruiloften al vanaf de Middeleeuwen, vooral om de band met hun onderdanen aan te halen, want liefdesparen waren bij hen niet de regel. In de achttiende eeuw ging de burgerij met deze jubilea aan de haal om de huwelijkstrouw te bejubelen. Uit die eeuw zijn zilveren penningen bewaard gebleven van dito burgerparen. Een koperen bruiloft bij 12½ jaar beperkte zich meestal tot een familiegebeuren, maar notabelen vierden in de negentiende eeuw voor het front van hun stad of dorp hun zilveren huwelijk. Fabrikanten betrokken daar al hun arbeiders bij, zodat dezen met hetzelfde zilvervirus behept raakten. 

 

zilverwp.jpg

Prent bij het zilveren huwelijk van Willem Prinzen en Catharina van Moll, Helmond 1896. (RHC-Eindhoven)  

 

Gouden huwelijken vergat men uiteraard niet, maar die kwamen zo sporadisch voor dat kranten er melding van maakten, waarbij zelfs landsgrenzen niet telden. Zo liet blijkens www.kranten.kb de Middelburgsche Courant haar lezers in 1775 weten dat een hoogleraar in Berlijn onlangs vijftig jaar getrouwd was... Overigens biedt de bovenstaande penning van het Speelgoedmuseum in Deventer een nog ouder voorbeeld: Anthonie van den Berg en Marretje Kort trouwden in 1693 en konden dat een halve eeuw later vieren. Dit moet welhaast een van de eerste keren zijn dat dit gebeurde.

Een gouden huwelijk is nog steeds aanleiding tot een persoonlijke felicitatie van de plaatselijke burgemeester. Een diamanten huwelijk bij zestig jaar, en een platina huwelijk bij zeventig jaar, zijn uiteraard nog uitzonderlijker: de meldingen daarover beginnen pas als de twintigste eeuw op dreef is en vormen tot vandaag wereldnieuws. Het zijn Engelsen en Amerikanen geweest die elke trouwdag bijzonder hebben willen maken door er een symbool aan te hechten. Juweliers in die landen deden dat bij de hogere, normale mensen bij de lagere jaren, uit angst dat zij die hogere niet zouden halen. Het Nieuws van den dag berichtte bijvoorbeeld in 1894 dat Amerikanen, die toen al vaak scheidden, tevens een houten bruiloft (vijf jaar) en een blikken bruiloft (tien jaar) hadden ingesteld. Onder Nederlanders is de jaarlijkse trouwdag wel iets om te gedenken, maar de meer recente symbolen zijn hier nooit aangeslagen, al vieren sommigen wel een tinnen huwelijk bij 6¼ jaar. 

 

platinahuwelijk.jpg 

Algemeen Handelsblad, 18 september 1939. 'Platina' bruiloft is de gangbare term geworden. De eerste 'eiken' bruiloft (80 jaar) heeft inmiddels ook plaatsgehad, in juni 2008, tussen Pieter Ably en Henriëtte Tritsch uit Amstelveen. En voor een 90-jarige bruiloft is de aanduiding 'graniet' vacant. www.kranten.kb    

 

Ondanks deze aandacht voor huwelijksverjaardagen was in de burgerij de vertrouwelijkheid tussen man en vrouw traditioneel niet groot. Zij was vaak drie tot vijf jaar jonger dan hij en had doorgaans beduidend minder opleiding genoten. Zij bestierde slechts het huishouden zonder dat dat veel werk kostte, want tot de jaren vijftig van de vorige eeuw beschikten menig lerarengezin al over een dienstmeisje. Alleen voor de buitenwacht genoot ze dezelfde status als haar man; in huis wrikte dat. In het bijzijn van de kinderen sprak het ouderpaar nog objectiverend over elkaar als vader ('pap') en moeder ('mam'), alsof beiden van hetzelfde niveau waren, maar haar ondergeschiktheid bleek uit vele wetten.

Volgens de Code Penal uit 1811, die hier kort van kracht is geweest, mocht een vrouw die overspel pleegde door haar man worden vermoord. Tot 1919 kon een vrouw, hoe rijk ook, bij verkiezingen geen stem uitbrengen. En pas in 1923 werd zij in erfrechtelijk opzicht met haar kinderen gelijkgesteld; voordien ging zonder speciale regeling alles naar de kinderen. Tot 1956 was zij bovendien handelingsonbekwaam. Als het 'zwakke vat' verdween zij voor de buitenwereld zelfs min of meer achter haar man. Zij en hij heetten bijvoorbeeld op brieven 'de heer en mevrouw Henk de Wit', wat overigens meer is dan het 'mrs. Henk de Wit' uit Angelsaksische landen of het 'Frau Dokter' voor een vrouw van een dokter uit Duitsland; aanspreekvormen die daar nog steeds gangbaar zijn.

 

 echtscheiding

Katholieke Muurkrant met citaat uit Marcus 10:9, omstreeks 1970, als protest tegen de nieuwe echtscheidingswet van 1971, die het begrip 'duurzame ontwrichting' introduceerde.  www.geheugenvannederland.nl


Het huwelijk behelsde intussen een gevangenis voor wie er zich niet in thuisvoelde. In tegenstelling tot katholieke landen was echtscheiding in Nederland sinds 1580 toegestaan bij een 'gescheurd bed', dat wil zeggen bij overspel en kwaadwillige verlating. Hiervan werd echter zeer sporadisch gebruik gemaakt. De luxe van een (boedel-) scheiding konden slechts weinigen zich veroorloven. Bovendien stierven veel mensen, dus ook partners, jong en koesterde men minder hoge verwachtingen van een huwelijk, vooral in erotische zin. Opa & omaseks en zelfs bejaardenseks staan tegenwoordig bij menig stel op het programma - in een steeds grotere eenzaamheid. Want hoe krankzinnig het ook is: niemand veroudert in zijn fantasie. Oscar Wilde verwoordde dit aldus: 'De tragiek van ouder worden is niet dat je oud bent maar dat je jong blijft'.

In de beeldende kunst tijdens de Republiek figureert alleen de joodse echtscheiding, die net als in het Oude Testament een mannelijke verstoting was, zij het dat de vrouw een blokkade ertegen kon opwerpen. In de Franse Tijd heeft even de mogelijkheid bestaan te scheiden op basis van wederzijdse instemming en onverenigbaarheid van karakter, maar dat werd spoedig ingetrokken. Jarenlang, om precies te zijn: vanaf een arrest van de Hoge Raad uit 1883, was echtscheiding een troebele affaire, waarin de Grote Leugen, ook bekend als pia fraus, een prominente rol vervulde: overspel hoefde niet te worden bewezen als het maar onweersproken bleef. Mannen namen de schuld meestal op zich, want als de vrouw overspel had gepleegd kon zij naar alimentatie fluiten. In 1971 kreeg Nederland als een van de eerste landen in Europa een liberale echtscheidingswet, waarbij duurzame ontwrichting als enig criterium ging gelden. Zeker heeft de overheid in de eerste jaren een stimulerende rol vervuld door gescheiden moeders zonder sollicitatieplicht een levenslange bijstandsuitkering te verschaffen. Inmiddels loopt een op de drie huwelijken op ontbinding uit. In Amerika is dat al een op de twee, zodat duidelijk is welke kant het hier uitgaat.

De vanzelfsprekende hegemonie van de man binnen het huwelijk is ook anderszins aangetast. Zelfs als naamgever is zijn positie niet langer heilig, aangezien sinds 1999 kinderen desgewenst de achternaam van hun moeder kunnen kiezen. Tegelijkertijd heeft de man op brieven de naam van zijn vrouw er tersluiks bij gekregen: 'de heer en mevrouw De Wit - Jansen'. Regelmatig blijft de vrouw trouwens haar meisjesnaam hanteren, ook als haar kinderen naar de man heten, waardoor een argeloze buitenstaander haar als onechte moeder zou kunnen aanmerken; kennelijk geen bezwaar. Tot op deurnaambordjes dringt deze gewoonte door. Ook de voornamen van de kinderen staan daarop al vaak vermeld, of zelfs van de huisdieren, om aan te geven dat die inmiddels voor het volle pond meetellen.

 

gescheiden

Familieberichten NRC Handelsblad. Een kortstondige trend: de echtscheidingsannonce.


En dan is er de toenemende scholing van vrouwen en hun grotere deelname aan het arbeidsproces. Het opvallende is dat al deze ontwikkelingen ook een uitholling van het gezin hadden kunnen bewerkstelligen. En over uitholling spreken moralisten het meest als zij het over echtscheiding hebben. Maar men kan met evenveel recht zeggen: echtscheidingen geven juist aan hoezeer het leven in gezinsverband wordt verheerlijkt. De meeste gescheidenen gaan immers op voor een nieuwe ronde.

 

Homohuwelijk

 

Van onverdachte zijde is niet lang geleden de populariteit van het huwelijk bevestigd. Na jarenlang ijveren door de homobeweging is het per 1 april 2001 toegestaan dat mensen van gelijk geslacht met elkaar een burgerlijk huwelijk sluiten. Burgemeester Job Cohen van Amsterdam ontfermde zich persoonlijk over deze primeur, gadegeslagen door cameraploegen uit de hele wereld. Het homohuwelijk bleek een exportproduct, want tien jaar later kende een reeks van landen het: België, Canada, Spanje, Noorwegen, Zweden, IJsland, Spanje, Portugal, Argentinië, Zuid-Afrika en diverse staten van de VS. En waar het elders nog niet is ingevoerd, wordt er met steeds meer gezag voor geijverd.  

 

trouwen31


Het eerste officiële homohuwelijk ter wereld, op 1 april 2001 in de raadszaal van Amsterdam. (ANP)


Toch heeft het menigeen verbaasd dat de homobeweging dit huwelijk eiste, ook onder sympathisanten van die beweging. Homoseksualiteit werd vereenzelvigd met klassieke filosofen, met Two Spirit-shamanen onder Amerikaanse indianen, met Afrikaanse adolescenten die groepsgewijs op hun initiatie als krijger wachten, met zwoele romantici en artistieke vrijdenkers, ja, met het rijtje extravagante nichten dat we sinds de jaren zeventig van de televisie kennen, - niet met een 'gebreid echtpaartje'. Homo's die dat wilden konden bovendien sinds 1998 kiezen voor het genoemde geregistreerde partnerschap, dat nagenoeg dezelfde rechten verschaft, inclusief dat op adoptie, en inmiddels in ettelijke landen is erkend. Zo'n registratie kan ook zelf vorm gegegeven worden, van schraal tot uitbundig, wat een pre is, zou men zeggen. Er zijn ceremonies geweest waarbij de partners ten overstaan van alle aanwezigen uitgebreide liefdesverklaringen aflegden, heel wat indrukwekkender dan het bijna onmondige jawoord tijdens een burgerlijk huwelijk.    

Maar kennelijk willen homo's niet langer apart zijn, al leert de Gay Parade dat dat niet steeds geldt. Voor hetero's zullen zij in gehuwde staat toch wel apart blijven. Zo is het lastig wennen aan de zegswijze 'mijn man' of 'mijn vrouw' als de wederhelft zelf een man of een vrouw is. Vroeger spraken homo's hooguit van partner, wat vaak al een bewijs van hun geaardheid was, zeker toen hetero's het woord partner van de weeromstuit alleen nog in combinaties gingen bezigen, zoals 'mijn' zakenpartner, bridgepartner of golfpartner. 

Ook het gebruik om eenmaal getrouwd beider achternamen met een liggend streepje aan elkaar te koppelen is vreemd. Bij mannen lijkt het dan alsof zij tot de Engelse aristocratie behoren, aangezien Nederland kent geen dubbele namen met een streepje ertussen kent. Zelfs de wetgever lijkt hier niet helemaal uitgekomen te zijn, want bij een koppeling dienen beide partners de eigen achternaam achteraan te zetten, zodat ieder stel twee achternamen blijft houden! 'De heer en de heer Jansen-Pietersen' en 'de heer en de heer Pietersen-Jansen' op één adres. Apart! 

 

Minderheden

Onder Nederlandse moslims is uithuwelijken nog steeds de norm, al komt de individuele keuze wel opzetten. Volgens de antropoloog Ibrahim Yerden werd eind vorige eeuw nog tachtig procent van alle Turkse jongeren in Nederland uitgehuwelijkt; nu is dat ongeveer veertig procent. Lang hebben moslimjongeren de strijd tegen een door ouders opgelegd huwelijk in hun eentje moeten voeren, maar zij kunnen sinds kort steun vinden bij www.yourright2choose.nl, dat ook voor andere gezindten beschikbaar is. Natuurlijk bestonden (en bestaan) er wel graden van dwang. De meeste ouders plachten een huwelijk slechts te arrangeren, dus omstandigheden te scheppen waarin een jongen en een meisje gaandeweg genegenheid voor elkaar opvatten, zoals tot voor kort ook in Europese vorstenhuizen gebruikelijk was. Genegenheid gold hierbij als vereiste, want volgens de Koran horen echtelieden elkaars 'kledingstuk' te zijn. Een uitdrukkelijk 'nee' van een meisje werd daarom doorgaans gerespecteerd. Er was ook wel keuze mogelijk, want veel meisjes werden door meer dan èèn man begeerd.

Ook de traditionele endogamie is aan het veranderen. Trouwde volgens het CBS enkele jaren geleden nog slechts een op de tien Turken en Marokkanen met een westerse autochtoon, inmiddels is dat twee op de tien. Een punt hierbij is dat de islam wel toestaat dat een man met een niet-moslim trouwt, maar een vrouw omgekeerd niet, tenzij haar man moslim wordt, wat betekent: zich laten besnijden, belijdenis doen en dat dan door getuigen laten vastleggen. Om van een moslim verzekerd te zijn werden tot voor kort vier van de vijf partners uit het herkomstland gehaald. Sinds de overheid leeftijd- en inkomensgrenzen voor huwelijksmigratie stelt, is dat nog maar bij een op de zes het geval. Wel is het neef-nichthuwelijk hardnekkig: onderzoekster Edien Bartels meldt dat mogelijk een kwart van alle moslimhuwelijken neven en nichten betreffen. Hoe uitzonderlijk dat is spreekt uit het feit dat zulke relaties onder autochtone Nederlanders sporadisch voorkomen en algauw als incest worden aangemerkt, hoewel ze geenszins verboden zijn. Volgens Bartels valt het veronderstelde erfelijke risico ervan ook mee: tenzij het om inteelt van generatie op generatie gaat, is de kans op genetische ongelukken niet groter dan bij een vrouw die na haar 35ste kinderen baart. Desondanks is duidelijk dat neven en nichten niet slechts met elkaar trouwen maar met beider families, met als eindresultaat een verregaande sociale controle, waaraan westerse stelletjes zich vijftig jaar geleden hebben weten te ontworstelen. Er valt geen reden te bedenken waarom moslimstelletjes dit in de nabije toekomst niet ook zullen wensen.   

Volgens de oude opvatting ligt het initiatief voor een islamitisch huwelijk bij de vader van de jongen, omdat hij degene was die een bruidsprijs (mahr) moet betalen. Bruidsprijs is de antropologische term, de vox populi houdt het op bruidsschat, hoewel daarmee van oudsher iets anders wordt bedoeld, namelijk het kapitaal dat de bruid in een huwelijk meebrengt. Zowel de bruidsprijs als de bruidsschat zijn ooit ook in Nederland bekend geweest, maar verdwenen toen het huwelijk in gemeenschap van goederen opkwam. Oorspronkelijk diende de bruidsprijs als compensatie aan de ouders van de bruid, omdat zij niet langer arbeid voor hen kon verrichten. De ouders gaven vervolgens de helft ervan aan haar mee als extra zekerheid na een eventueel overlijden van haar man, want het islamitisch recht, de sharia, kent weduwes slechts een achtste erfdeel toe. In Nederland is het nu veelal de bruidegom zelf die de bruidsprijs betaalt en ook alleen aan zijn toekomstige eega. Dit geschiedt al naar gelang zijn draagkracht; een dadel kan al genoeg zijn. In de Nederlandse praktijk gaat het doorgaans om een gift ter waarde van drie tot zesduizend euro, in gouden sieraden of in cash, opdat zij die sieraden zelf kan kopen. Volgens Het Parool van 20 oktober 2012 vormen inmiddels in Amsterdam-West gespecialiseerde 'bruidsschatsrovers' een geduchte plaag.

In de oude situatie zijn het ook de ouders van de jongen die de ouders van het meisje om haar hand komen vragen, - zoals dat in Nederland in de achttiende eeuw nog algemeen gebruikelijk was (zie Aanzoek hierboven). Dat gebeurt in een serie bijeenkomsten, waarbij de ouders van de jongen steeds duurdere cadeaus meebrengen. Aanvaarding daarvan houdt een aanmoediging in; weigering kan betekenen dat een ouder familielid als koppelaar moet inspringen. Tijdens de slotbijeenkomst wordt de bruidsprijs bepaald en komen de huwelijkse voorwaarden aan de orde. Volgens de koran mag een man met vier vrouwen trouwen, maar een meisje kan bedingen dat zij de enige echtgenote blijft, wat ook meestal het geval blijft. Intussen zorgt de bruidsprijs er wel voor dat alle betrokkenen het idee hebben dat het meisje gekocht wordt en voortaan aan de familie van haar man toebehoort.  

Een huwelijk is voor moslims een burgerlijke overeenkomst; geen sacrament. Openbaarmaking is daarbij essentieel, en dat begint al bij de verloving. Turken bevestigen een verloving met een ringwisseling: aan een rood lint zitten twee ringen en zodra de jongen en het meisje de ringen hebben omgedaan, wordt het lint doorgeknipt door een 'gelukkig iemand', die door het paar is uitverkoren. Turken en Marokkanen kennen een verlovingsprijs (verlovingsschat): een flinke hoeveelheid geschenken van de jongen aan het meisje, die openlijk wordt tentoongesteld. In bepaalde delen van Marokko en Turkije worden die geschenken op een wagen geladen en onder begeleiding van muziek langzaam naar het huis van het meisje gereden. De avond voor het huwelijk is er een vrijgezellenpartij voor ongetrouwde leeftijdgenoten van het paar. De aanstaande bruid krijgt een hennaversiering op haar handpalm (bij Turken) of op haar handen en voeten (bij Marokkanen). Turkse bruidjes trouwen in een westerse bruidsjurk, Marokkaanse in een Arabische labsa, een felgekleurd gewaad met kralen, glitters en borduursels à la Duizend-en-een-nacht.

Turken hebben de verplichting een huwelijk op het stadhuis in te schrijven. De bruidegom meldt zich daartoe met een bruidsboeket in de hand bij het huis van zijn bruid en krijgt de deur in zijn gezicht gesmeten: hij moet eerst een symbolisch bedrag betalen. Met een klein gevolg staat het bruidspaar vervolgens voor de gemeenteambtenaar. Daarna, maar niet noodzakelijk op dezelfde dag, wordt in een zaal het echte huwelijksfeest gehouden, waarbij getuigen bruid en bruidegom ondervragen en het huwelijkscontract wordt ondertekend. De vader van de bruid strikt een rood lint om haar middel ten teken dat ze maagd is. De gasten doneren meestal geld of gouden armbanden en medaillons, die voor geld zijn om te wisselen. Het geld en de medaillons worden met spelden op de kleren van het bruidspaar geprikt, de armbanden schuift de bruid direct om. Alle giften worden met de naam van de gever omgeroepen door een ceremoniemeester. Na afloop van het feest wordt het bruidspaar te bedde gedanst of in een hotel achtergelaten. Een voorlichtende tante komt de volgende dag vragen of er problemen waren en legt een gouden sieraad op een eventuele bloedvlek in het laken.

Marokkanen gaan in eigen land niet naar het stadhuis maar naar een notaris om hun huwelijk vast te leggen. Het huwelijksfeest kan maanden later plaatsvinden. Overdag vieren de families van de jongen en het meisje afzonderlijk feest. 's Avonds gaat de familie van de jongen het meisje opeisen om haar in optocht mee naar huis te voeren. In Nederland worden kosten noch moeite gespaard om haar entree indrukwekkend te maken: per kameel, helikopter of een Ferrari. Tijdens het feest de volgende dag kleedt de bruid zichzelf geregeld om, want zij bezit minimaal twee labsa's en vaak nog een westerse bruidsjurk; het maximum is zeven jurken! Een speciale kleedster, ziana, staat de bruid hierin de hele dag bij. Marokkaanse stellen geven al met al anderhalf keer zo veel uit aan een trouwerij als gemiddelde stellen in Nederland, maar familieleden springen financieel bij. Aan de huwelijksnacht wordt vanwege de strenge seksescheiding weinig ruchtbaarheid gegeven. Alleen in Marokko zijn er nog gebieden waar de bruidegom de volgende ochtend met een bebloed laken naar buiten treedt.

 

trouwen39


Multiculturele folklore: Bij een huwelijk tussen een Marokkaan en een vrouw uit Putten wilde de vrouw niet voor haar man onderdoen: hij in klederdracht, dan zij ook in klederdracht - weliswaar uit de tijd van haar overgrootmoeder. Arnhem 1999. (Hollandse Hoogte)



Ook onder Hindoes wilde de traditie dat ouders een levenspartner voor hun kind zochten. Een gemengd huwelijk heette bij hen een huwelijk met iemand van een andere kaste. Verliefdheid als basis voor een huwelijk werd griezelig gevonden, omdat een huwelijk niet een verbintenis tussen twee geliefden was maar tussen twee families. In Suriname won onder Hindoes de gedachte al veld dat een jongen en een meisje elkaar dienen uit te kiezen, wat bij hen die naar Nederland zijn gekomen overheersend is geworden. Familieleden en de pandit, de huispriester, gaan in Nederland ook niet meer op zoek naar een geschikte huwelijkskandidaat; liever schrijven jonge Hindoes zich in bij speciale bemiddelingsbureaus om iemand uit eigen kring te vinden. De oude huwelijksrituelen onder Hindoes, die zeer uitgebreid zijn, worden hierdoor steeds kunstmatiger, wat nog wordt versterkt doordat onder jongeren ook de secularisatie toeslaat.

Bij orthodoxe Hindoes vindt de kennismaking meestal ten huize van het meisje plaats, nadat de mannelijke leden van beide betrokken families het nodige voorwerk hebben verricht, zoals een astrologische test. De beide families zitten op en het meisje wordt gevraagd een frisdrank te serveren, maar blijft verder op afstand. Ter plekke wordt een beslissing verlangd. De verloving nadien gebeurt bij de jongen thuis, zonder dat het meisje daarbij aanwezig is. De jongen geeft ten overstaan van haar vader en enkele mannelijke getuigen zijn wens te kennen, waarop het meisje voor hem wordt 'gereserveerd'.

Doorgaans volgt een half jaar later de ondertrouw. Hiervoor komt wederom de vader van het meisje zonder haar naar de jongen toe en brengt bij hem een gekleurde stip op het voorhoofd aan, de tilak. De ondertrouw is ook het moment dat de bruidsschat wordt overhandigd, waarover eerder afspraken zijn gemaakt. De bruidsschat bij hindoes is een echte bruidsschat, geen bruidsprijs die man aan de bruid dient te betalen, zoals bij moslims. Hoewel in India sinds 1961 wettelijk verboden is de verplichting ertoe hardnekkig en substantieel: een Mercedes of een tweede huis zijn normale geschenken. Onbemiddelde vaders doden wel pasgeboren dochters om aan een dergelijke verplichting te ontkomen, en meisjes wier vader zich niet aan zijn belofte houdt lopen kans op een 'keukendood'. Surinaamse hindoestanen hebben deze praktijken reeds lang achter zich gelaten. Van oudsher hielden zij het op een koperen bord met bijbehorende beker, een schouderdoek, een kokosnoot en sieraden die toch wel een behoorlijk bedrag vertegenwoordigden. Eenmaal in Nederland zijn onder hen huisraad en elektronica gangbaar geworden.

In de week voor het huwelijk trekken vrouwelijke familieleden in een stoet erop uit om ongeschonden, gelukbrengende aarde op te graven, ten behoeve van de kohbar, het kleurig versierde altaar dat in elk hindoe huis staat. In Nederland heeft men wel eens moeite dergelijke aarde te vinden. Zowel bij de bruid als de bruidegom thuis wordt een tent van zeildoek opgericht en worden buitenmuren met handafdrukken bedekt, ten teken dat een huwelijk 'op handen' is. De dag ervoor poft men rijstkorrels, die tijdens de plechtigheid in een vuur worden geofferd. De jongen en het meisje ondergaan een zalving met gele olie en een 'kussing' met hard gras. Ook krijgen beiden een beschermende armband om de pols gebonden, die twee dagen blijft zitten. De pandit wijst hen op hun plichten. De jongen wordt geacht voor vrouw en kinderen te zorgen; het meisje moet haar man dienen als een verschijning Gods, maar beheert wel de portemonnee.

 

trouwen37


Bruidspaar tijdens een klassiek hindoehuwelijk. (KIT Amsterdam)



De positie van de pandit in Nederland is wel aan het verzwakken, doordat hij niet, zoals in Suriname, als ambtenaar van de Burgerlijke Stand fungeert. Vanwege het hier verplichte burgerlijk huwelijk kunnen hindoe-paartjes het zelfs zonder hem stellen, wat niet alleen goedkoper is maar ook de ceremoniële uitbundigheid vermindert. De voorbereidingen op het huwelijk worden afgesloten met een vrijgezellenavond, waarbij tegenwoordig ook alcohol wordt gedronken.

Op de grote dag trekt de bruidegom, in geel gewaad en met een kroon op zijn hoofd waaraan versierde slierten hangen, in een lawaaierige stoet, de baraat, naar het huis van de bruid. Alleen mannelijke familieleden en vrienden vergezellen hem. Na allerlei gebeden, begroetingen en reinigingsrituelen breekt het moment suprème aan als de bruid, gestoken in een rode sari, door haar vader aan de bruidegom wordt overgedragen, in hindoe-ogen de grootste gift die een mens kan doen. Als om de overdracht uit te drukken gaat zij rechts van de bruidegom in een speciale koepel zitten, de maroh, waarvan zeer luxe uitvoeringen bij verhuurbedrijven worden aangeboden.

Volgen geschenken, rondgangen, vuuroffers en mantra's. Bruid en bruidegom worden met een sjaal aan elkaar verbonden en de bruid zet zeven stappen richting de poolster, waarmee zij zichzelf toevertrouwt aan haar man. Op zijn beurt spreekt deze zeven beloften uit (o.a. dat hij zich niet zal inlaten met andere vrouwen) en daarna gaat de bruid links van hem zitten, de aangewezen plek voor een echtgenote. Om hun bloed symbolisch te laten vermengen, brengt hij rode vermiljoenpoeder op haar haarscheiding aan, sindhoor, wat ook het teken is voor een getrouwde vrouw (vroeger fungeerde de stip tussen de ogen, de bindiya, als zodanig maar tegenwoordig kunnen ook ongetrouwde vrouwen er een dragen). Na nog een offer kan het feest beginnen, dat rustig verloopt maar wel lang duurt. De volgende ochtend wordt de feesttent flink heen en weer geschud en afgetuigd, ten teken dat de bruid gaat vertrekken, wat met hartstocht gebeurt. Bij het huis van de bruidegom wachten diens vrouwelijke familieleden haar met vuurwerk en zegeningen op. Een nabruiloft de volgende dag besluit de plechtigheden.

Een historische eigenaardigheid bij hindoes is dat gescheiden vrouwen en zelfs weduwes niet mogen hertrouwen, omdat zij eens aan een familie zijn gegeven en dat is definitief. In Bollywood-films vormt dit verbod nog een belangrijke thema, maar onder Nederlandse hindoestanen wordt het nauwelijks meer nageleefd.


Afro-Surinamers en Antillianen kennen al sinds decennia een vrije partnerkeuze, al bepaalt naar verluidt driekwart zich daarbij wel tot soortgenoten. Hun huwelijksgebruiken zijn westers, zelfs hyperwesters; vooral bij Antillianen, die in meerderheid katholiek zijn. Wel beperken velen zich tot het burgerlijk huwelijk. Kostenbesparing is daarbij een factor, tegelijk met ontkerkelijking of juist kerkelijkheid: de katholieke kerk staat immers geen echtscheiding toe, terwijl Surinamers die mogelijkheid klaarblijkelijk willen hebben, gezien het feit dat ruim zestig procent van hen in een eenoudergezin leeft. Echtscheiding onder hen is zelfs zo normaal dat de vrouwen er terdege op voorbereid zijn. Zij houden een sterk netwerk aan en vertellen elkaar dat hun eerste man niet een man is maar een 'schooldiploma'.

Sommige Surinaamse vrouwen trouwen in koto, de Surinaamse klederdracht, maar de meesten dragen een westerse bruidsjurk met sleep. Antillianen formeren bij de kerkelijke inzegening een enorme stoet met bruidsmeisjes en -jongens, voorafgegaan door een dama di honora, een vrouwelijke ceremoniemeester, bruidskinderen die bloemblaadjes strooien en een kind dat op een kussen de twee ringen draagt. Aan de gasten wordt zwarte likeurcake, bolo preto, uitgedeeld, verpakt in tule of een duurzaam doosje, ter eeuwige herinnering aan het huwelijk.

Na de receptie gooit de bruid haar bruidsboeket in een kring ongetrouwde meisjes; wie het vangt wordt de volgende bruid. Aan het eind van het feest vertrekt het bruidspaar met stille trom. Zodra de bruid uit haar bruidsjurk stapt, hoort zij de sleep ervan af te knippen, anders roept zij onheil over zichzelf af.

Nieuw is dat Surinamers en Antillianen vrijgezellenavondjes organiseren en de 'Just Married'- status van een paar benadrukken met blikjes aan de auto, een gebarricadeerd huis of een in wanorde gebrachte huisraad. Ook worden er in Nederland Surinaamse mannen gesignaleerd die met baby's over straat lopen en samen met hun vrouw boodschappen doen, hoewel zij van oudsher als players bekend staan en vaak bij verscheidene vrouwen kinderen hebben. Dit soort ontwikkelingen wijst erop dat zij in Nederland meer belang aan het huwelijk gaan hechten. In de Caraïben leeft nog steeds het spreekwoord: 'Vandaag getrouwd, morgen gescheiden'.

Onder Chinezen in Nederland is het gearrangeerde huwelijk nog veelvoorkomend, althans bij degenen die in het horecawezen actief zijn; de in aantal snel groeiende academici volgen veelal hun eigen hart en bepalen zich ook niet langer tot soortgenoten. Bij de gearrangeerde huwelijken worden vaak makelaars ingeschakeld.

Chinezen trouwen bij voorkeur niet in hun eigen clan, een verband van families met een gezamenlijke voorouder, die vele generaties teruggaat. Een makelaar kan het gevreesde gezichtsverlies van een van de betrokken families voorkomen. Daarnaast is astrologie een gezocht hulpmiddel, zowel om te bepalen of de huwelijkskandidaten bij elkaar passen (opdat een meisje een jongen niet kan overheersen, moet de jongen uit een jaar stammen van een hoger dier dan het meisje), als om een geluksdag uit te zoeken waarop het huwelijk kan worden gesloten. In elk geval doet de familie van de man het aanzoek.

Op de dag van de bruiloft gaat de bruidegom met zijn gevolg naar het ouderlijk huis van de bruid. De nog niet helemaal uitgestorven folklore wil dat hij, voordat hij wordt binnengelaten, eerst aan jonge vrouwelijke verwanten van de bruid een bedrag van 999,99 gulden moet betalen, want 'negen' staat voor eeuwigheid. Insgelijks krijgen de jongere broers van de bruidegom soms schoenen van zijn aanstaande schoonfamilie, want in het Chinees klinkt 'schoen' als 'kuis'. Nadat bruid en bruidegom een rode geluksenvelop van de ouders hebben ontvangen, gaan zij voor in een theeceremonie, die het afscheid van de bruid uit het ouderlijk huis moet verbeelden, een aanleiding tot veel tranen.

Daarna vertrekt men naar het stadhuis en eventueel de kerk. Het echte feest is uiteraard in een restaurant. De westerse trouwjurk die de bruid tot nu toe heeft gedragen, wordt vervangen door een rode, rijk versierde bruidsjapon, de kwa. Als het goed is heeft de bruid al haar sieraden om, ook eventuele doublures. De bruidegom kan, al naar gelang het gevoel voor traditie, een westers pak aanhebben of een lang gewaad, waarin hij zich nauwelijks van zijn bruid onderscheidt.

Chinese bruiloften waren vroeger berucht om het bruidje pesten: allerlei verwensingen en seksuele insinuaties werden door de gasten naar haar hoofd geslingerd, opdat zij kon tonen dat zij zelfbeheersing had. Tegenwoordig bepalen de gasten zich tot het geven van een rode geluksenvelop, waarna zij worden beziggehouden door een diner van soms wel negen gangen, met een 'ongeschonden' speenvarken als hoofdgerecht, vanwege de staat die de bruid wordt geacht te hebben. Zodra kleine ronde koekjes worden geserveerd is het feest ten einde en trekt het bruidspaar zich geruisloos terug.

Joden zijn de bedenkers geweest van het monogame huwelijk. Een huwelijk tussen man en vrouw is volgens het Oude Testament als het herstellen van een eenheid, zoals die tussen Adam en Eva. Nog tot in het recente verleden werd die eenheid ook in Nederland door families gesmeed, zonder dat de jongen en het meisje een inbreng hadden.

Huwelijksmakelaars hielpen bij de kennismaking en de onderhandelingen over de bruidsschat die het meisje meekreeg, oorspronkelijk een tegenprestatie voor het feit dat zij van de vaderlijke erfenis was uitgesloten. Tegenwoordig zijn huwelijksmakelaars alleen nog in orthodoxe kringen actief, zij kennen ook nog een bruidsschat. De meeste joden volgen de westerse gewoonte van vrije partnerkeuze en hebben de bruidsschat gereduceerd tot een uitzet. Volgens een onderzoek van het Joods Maatschappelijk Werk is momenteel zelfs zestig procent van alle gehuwde Nederlandse joden met een niet-joodse partner getrouwd.

 

trouwen38


19e eeuwse Joodse huwelijksceremonie onder een talliet, een gebedsmantel, door Jozef Israëls. Trouwen onder een baldakijn, een choepa, is gebruikelijker. (ANP)



Zodra de onderhandelingen met succes waren afgerond, waren de jongen en het meisje formeel verloofd, wat bindend was, zoals dat tot 1838 voor iedereen in Nederland gold. Al sinds de diaspora horen joden volgens de wetten van het land waarin zij wonen te trouwen, maar daarnaast kennen zij eigen rituelen, die ook niet-gelovige joden nog graag volvoeren. De plechtigheid kan in een synagoge plaatsvinden, in een feestzaal of onder de blote hemel, waarbij de sterren verwijzen naar het aantal nakomelingen dat God Abraham beloofde. Eerst wordt de huwelijksakte voorgelezen. Bij orthodoxe joden bevat die alleen de beloften van de man; bij liberale joden zowel van de man als de vrouw.

De plechtigheid zelf wordt voltrokken onder een choepa, een baldakijn, dat het echtelijk bed symboliseert. Als choepa kan ook een gebedsmantel, de talliet, dienen, die over de hoofden van het paar wordt gedrapeerd, wat onder Oost-Europese joden, de ashkenazi, gebruikelijk was. Nadat het paar wijn van de wederzijdse ouders te drinken heeft gekregen en met tarwekorrels is bestrooid, volgt de ringwisseling, althans bij liberale joden; bij orthodoxe joden ontvangt alleen de vrouw een ring, ten teken dat haar aanstaande man haar kan onderhouden. Zeven lofzeggingen bezegelen de huwelijksvoltrekking. Dan breekt de bruidegom een glas, ter herinnering aan de verwoeste tempel van Jeruzalem. De gasten reageren hierop met een salvo van Mazzeltofs ('veel geluk'). Voordat het feest, vaak met opzwepende muziek, kan beginnen, trekt het jonge paar zich in een aparte ruimte terug om te beseffen dat het een heilig verbond is aangegaan.


terug naar boven